• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grondrechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheidsoptreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.

  • Categorieën

  • 7 gegronde klachten over politie discriminatie in 12 jaar

    Alle voorbeelden van racistisch politieoptreden en etnisch profileren ten spijt zijn er in de afgelopen 12 jaar, maar 7 klachten over discriminatie door de politie gegrond verklaard door de ‘onafhankelijke’ politieklachten commissies. De Nederlandse politie gedraagt zich dus blijkbaar voorbeeldig. Discriminatie komt er bijna niet voor.

    Het app gedrag van korpschefs, leidinggevenden, docenten, vertrouwenspersonen, leden van de ondernemingsraad, senior en aspirant agenten zouden slechts voorbeelden zijn van enkele rotte appels in een verder ‘gewone’ organisatie zoals de korpsleiding het opsporingsapparaat omschrijft.

    Die zeven gegronde discriminatieklachten komen uit een analyse van de jaarverslagen van de politieklachten commissies en de politie van de afgelopen twaalf jaar. Er is echter niets te zeggen over het werkelijke aantal klachten over discriminatie die bij de politie zijn ingediend en of die daadwerkelijk niet gegrond waren. De politie maakt geen cijfers en omstandigheden openbaar over die klachten.

     

    Ruim 10.000 klachten per jaar

    In 2013 heeft de klachtencommissies van de politie-eenheid Noord-Nederland het totaal van 10.369 politieklachten in haar jaarverslag gepubliceerd. Dit cijfer is niet nader gespecificeerd. De Nationale Politie schrijft in haar jaarverslag dat het om 11.537 klachten gaat. In de jaren daarna maken de klachtencommissies nooit meer totalen openbaar behalve in 2023 en 2024 als de commissie van Oost-Brabant schrijft dat er “landelijk in 2024 in totaal 2.980 klachten zijn afgedaan in de eerste fase (2023: 3.290).” Waar die cijfers op gebaseerd zijn is onduidelijk, de Nationale Politie spreekt namelijk over respectievelijk 14.180 en 12.287 klachten.

    Van een daling is dus geen sprake. In de jaarverslagen van de Nationale Politie is het aantal klachten van 2013 tot en met 2024 te vinden. Een lichte stijging naar 14.270 klachten in 2021 is te zien, daarna schommelt het rond de 13/14.000 klachten per jaar. Deze opgaande lijn van klachten is ook bij de politie-eenheid Rotterdam te zien, het enige korps dat consequent al elf jaar het aantal klachten openbaar maakt. Totalen over discriminatieklachten zijn nooit openbaar gemaakt.

    Klagen bij de politie betekent lang wachten, een lange procedure (zeker meer dan de afgesproken 14 weken, vaak ruim een half jaar tot een jaar, soms nog langer) voor mensen die zich in eerste instantie niet laten afschepen en willen dat een ‘onafhankelijke’ commissie naar hun klacht kijkt. In de procedure kijkt namelijk eerst de politie zelf naar de klacht. In het verleden vaak onduidelijk wie, tegenwoordig de afdeling VIK (Veiligheid, Integriteit en Klachten). Als de burger niet tevreden is met het antwoord kijkt een commissie van hoogwaardigheid bekleders naar de klacht. Als burger staat daarna de weg naar de Nationale Ombudsman (NOM) open.

     

    Alledaags politie racisme

    Hoeveel discriminatieklachten de politie jaarlijks krijgt is dus niet openbaar. Deze cijfers zijn nog nooit gepubliceerd. Uit de jaarverslagen van de politieklachten commissies zijn slechts vier cijfers van politie-eenheden openbaar gemaakt, twee uit 2014 (Noord-Nederland en Rotterdam) en twee uit 2016 (Noord-Holland en Oost- Nederland). Bij discriminatie en etnisch profileren verwijst de politie naar het “op grond van huidskleur, geloofsovertuiging, leeftijd of geslacht iemand anders behandelen/benadelen. Voor wat betreft etnisch profileren wordt het gedrag van de politieambtenaar getoetst aan het protocol Professioneel controleren.”

    Dat er meer klachten over discriminatie door de politie zijn ingediend blijkt uit de cijfers van de klachtencommissies zelf. Volgens die cijfers zijn er in ieder geval 205 klachten over discriminatie door de politie ingediend in twaalf jaar. Of dit cijfer accuraat is, valt niet te verifiëren. Er ontbreken cijfers en de commissies hebben de gewoonte om een klacht in klachtonderdelen op te splitsen zodat totalen verwateren. Een klacht kan dan bijvoorbeeld bestaan uit discriminatie, maar ook bejegening of onvoldoende actie. Een klacht van een burger wordt dus niet in zijn totaliteit gewogen, maar verwaterd, iedereen krijgt een beetje gelijk. De politie echter altijd meer dan de burger.

    Tweehonderdvijf (205) discriminatieklachten in twaalf jaar, 17 per jaar, is echter zeer weinig als gekeken wordt naar de opmerkingen van de klachtencommissies zelf. Zo schrijft de commissie van de eenheid Amsterdam in 2015 dat “veel klachten van niet allochtone klagers (? Waarschijnlijk bedoelt de commissie autochtoon red.) worden afgesloten met een soort algemene klacht: “ik ben/word gediscrimineerd.” In Rotterdam gaan burgers nog verder en spreken al jaren over treiteren door de politie iets dat ze vaak niet expliciet in de klacht vermelden omdat het wekelijkse praktijk is: “Burgers die klagen over etnisch profileren, ervaren evenwel dat zij regelmatig – soms wekelijks – worden gecontroleerd en beleven de controles daardoor als ‘treiteren’ en een vorm van discriminatie” (jaarverslag uit 2015, vergelijkbare passages in 2016, 2018, 2019, 2020 en 2021).

    In Den Haag ervaren burgers het niet anders, want “… burgers met een niet-autochtone achtergrond voelen zich door politieoptreden gediscrimineerd.” Volgens de commissie van Politie-eenheid Oost-Brabant is discriminatie zelfs een reden voor klagen over de politie: “Hoewel niet altijd een klachtelement over discriminatie of etnisch profileren is opgenomen in een klacht, is het de commissie in een aantal klachten opgevallen dat dit wel een rol speelt in de beleving van klagers over het politieoptreden en in de aanleiding om tot het indienen van de klacht over te gaan” (jaarverslag 2022).

     

    Toch maar 7 gegronde discriminatie klachten in twaalf jaar

    Racisme van de politie versterkt vervolgens de perceptie van de politie erkennen ook de commissies zoals ook blijkt uit de toename van klachten in bijvoorbeeld Rotterdam. “Het is evident dat een dergelijke veronderstelling het gedrag van die burgers tijdens de controle negatief beïnvloedt” (commissie jaarverslag eenheid Rotterdam 2015). Het is echter vreemd dat opnieuw de burger de schuld krijgt terwijl in Amsterdam naar het anti-discriminatie artikel 1 in de Grondwet wordt gewezen. Een opmerking van de politie klachtencommissie van Oost-Brabant ligt in lijn met dat artikel: “Als regel kan niet verlangd kan worden dat de volledige bewijslast ter zake discriminatie of etnisch profileren bij klagers berust.”

    Het is daarom vreemd dat geen enkele commissie verwijst naar het feit dat discriminatie een strafbaar feit is volgens het Wetboek van Strafrecht (o.a. artikel 137g). De beschuldigde agenten moeten dus aantonen dat ze niet discrimineren. Niet voor niets stelt de Nationale Ombudsman bij een klacht over de politie Oost-Nederland dat de “politie door professioneel optreden de schijn van discriminatie moet vermijden.”

    Het feit dat bij het app gedrag van veel politieagenten geen vervolging ten aanzien van discriminatie door het openbaar ministerie plaats vindt zegt natuurlijk genoeg. Dat de commissie van de eenheid Den Haag in 2021 schrijft dat “discriminatie nooit gerechtvaardigd kan zijn”, maar in 2016 al stelt dat “feitelijk van discriminatie geen sprake blijkt,” geeft een duidelijk indicatie aan welke kant de ‘onafhankelijke’ commissie staat.

    Terwijl in Den Haag er vanaf 2016 tot en met zeker 2021 sprake was of is van “stelselmatige discriminatie van mensen met een migratieachtergrond en vrouwen (Den Haag Centraal 2019)”, schrijft de klachtencommissie in 2021 doodleuk dat er “berichten over interne misstanden bij de politie naar buiten kwamen.” Vandaar natuurlijk dat klagers zelfs de commissies beschuldigen van “discriminatie en valsheid in geschrifte” (Oost Nederland 2021).

    Met niet onafhankelijke commissie is het daarom logisch dat de kans dat een van de 205 klachten (of dus klachtelementen) van burgers over racistisch politieoptreden door de klachtencommissies, waar vaak ook rechters in zitting hebben, gegrond wordt verklaard nihil is. In twaalf jaar zijn van de 205 klachten slechts 7 gegrond verklaard, dat is 3,41% van alle discriminatieklachten. De kans dat de politie wint als een burger klaagt over discriminatie is 85,37% (175 discriminatieklachten). In de rest van de gevallen is er meestal geen oordeel geveld door de commissies.

    Zeven gegronde discriminatie klachten in twaalf jaar is surrealistisch. In het eerste jaar van deze analyse (2013) publiceerde Amnesty International het rapport ‘Proactief politieoptreden vormt risico voor mensenrechten.’ Amnesty concludeerde daarin dat etnisch profileren in Nederland bestaat en stelt dat deskundigen en internationale mensenrechtenorganisaties in de jaren voor het verschijnen van het rapport Nederland daarop al wezen.

     

    Discriminatie bij een onterechte bekeuringen en controles?

    Wie de gepubliceerde discriminatieklachten in de jaarverslagen van de politieklachten commissies bekijkt, krijgt echter in eerste instantie de indruk dat het hier gaat om burgers die het niet eens zijn met een bekeuring die zij hebben gekregen voor in veel gevallen een verkeersovertreding. Hierbij moet wel worden aangetekend dat de voorbeeld klachten niet de letterlijke teksten van de discriminatie zijn die burgers ervaren, maar beschrijvingen door de ‘onafhankelijke’ klachtencommissies.

    Zo gaat het bij een klacht uit 2013/2014 in Amsterdam over een niet nader gespecificeerde verkeersovertreding. In 2018 ging het bij twee klachten over discriminatie ook over een verkeersovertreding, wat ook in 2021 het geval was in Amsterdam. Politie-eenheid Oost-Nederland kreeg in 2023 een discriminatieklacht na een bekeuring voor het ongeoorloofd parkeren op een invalideparkeerplaats. Eenzelfde klacht over fout parkeren kreeg Politie Den Haag in 2018.

    Burgers spreken niet alleen over discriminatie bij bekeuringen, maar ook bij controles door de politie. De commissies spreken dan vaak over etnisch profileren. Vaak wordt de Wegenverkeerswet ingezet die de politie ruime bevoegdheden geeft om mensen aan de kant te zetten. Soms worden daarvoor gevleugelde termen gebruikt zoals verkeersgedrag, dynamische verkeerscontroles, proactieve controle en ‘algemene’ verkeerscontrole.

    In 2017 gaat het om een klacht van een burger over staande houden bij een dynamische verkeerscontrole, in 2020 in Den Haag over politieoptreden tijdens een proactieve controle en in Oost-Nederland om een ‘gewone’ controle van een voertuig. De Wegenverkeerswet is erg flexibel voor de politie en zo krijgt de Amsterdamse politie in 2016 een discriminatieklacht van een burger die stelt dat hij onevenredig vaak wordt staande gehouden omdat hij in een bepaald type auto rijdt en een getinte huid heeft.

    In 2021 dient een burger een klacht in tegen een Amsterdamse politieambtenaar die hem staande heeft gehouden in verband met zijn verkeersgedrag van klager. Volgens de politie zou het gaan om “herhaaldelijk hoorbaar en overmatig gasgeven, het zichtbaar bumperkleven en het claxonneren.”

    Controles zonder het gebruik van de Wegenverkeerswet komen natuurlijk ook vaak voor zoals bij een discriminatieklacht van twee burgers die volgens de agenten zouden zijn weggereden in 2017 toen de politie arriveerde op een locatie die op grond van ‘bekende informatie intensiever wordt gecontroleerd’. De politie Den Haag kreeg een discriminatieklacht over een controle met betrekking tot het eventueel overtreden van de avondklok in 2021. En in 2013/2014 dienden twee burgers een klacht in tegen drie controlerende Amsterdamse agenten omdat zij zich zouden ophouden op een locatie waar niet ‘gehangen zou mogen worden’.

     

    Bekeuringen, controles en de schijn van vooroordelen

    Het lijken allemaal willekeurige bekeuringen en controles van de politie waar niets mee aan de hand is, en toch zeggen de burgers dat zij zijn gediscrimineerd. De commissies benoemen die discriminatie zelf ook regelmatig en dat alleen al zou natuurlijk tot nader onderzoek moeten leiden. Daarvan is echter geen sprake. De klachtencommissies verwijzen echter vaak naar “verklaringen van de betrokken medewerkers dat zij op grond van objectiveerbare gronden het voertuig en de inzittenden hebben gecontroleerd.”

     

    Van welke ‘objectiveerbare’ gronden er sprake zou zijn, wordt niet door de commissies vermeld, maar de politiefunctionarissen zouden volgens de commissies niet discrimineren. Vaak stellen klachtencommissies ook nog dat burgers de discriminatie door politieagenten niet met feiten kunnen staven. Burgers die discriminatie melden moeten dus volgens de klachtencommissies zelf de mogelijk strafbare feiten onderzoeken.

    Dit gebrek aan onderbouwing van de claims over ‘objectiveerbare’ gronden en niet bestaande discriminatie door klachtencommissies komt ook naar voren bij allerlei meldingen waarop politieagenten reageren en burgers naar aanleiding van die meldingen door de overheid worden lastiggevallen. De inhoud van de meldingen worden meestal niet verduidelijkt en de commissies lijken geen inzicht te hebben in de precieze aard en omstandigheden van de meldingen en eventueel onderzoek daarnaar.

    Zo is er een staande houding op een parkeerplaats in 2022 in Oost-Nederland waarbij een burger de overtuiging heeft dat zijn etniciteit de reden was van de controle. Andere personen die op de parkeerplaats stonden werden niet gecontroleerd. Op de hoorzitting komt de politie plots met een melding van ‘omstanders’ over “een verdachte situatie”. Ook stelt een wijkagent in 2022 van de politie Oost-Nederland dat hij acteerde op een melding van derden bij een controle aan de deur van een Nederlands staatsburger die door de commissie omschreven wordt als van “niet Nederlandse etniciteit en omdat hij Arabisch had gesproken.”

    In Den Haag reageert de politie in 2018 en 2019 ook op meldingen. Over de discriminatieklacht uit 2018 schrijft de commissie dat “de melders (melding van een ontvoering) ‘witte’ Nederlanders waren en klager van Marokkaanse afkomst, traditioneel gekleed en met traditionele gezichtsbeharing.” De politie is vervolgens ook nog eens geradicaliseerd door de persoon “nader te bevragen met het oog op mogelijke radicalisering.”

    De Haagse klacht in 2019 gaat over een Veilig Thuismelding. De commissie meldt dat eerder Veilig Thuismeldingen waren opgemaakt. Voor het begrijpen van het optreden van de politie zijn die van belang, maar de opmerkingen over het contact met ex-partner en de begeleiding van een kind van de klager door de commissie lijken vooral bedoeld om de klager in het ongelijk te stellen. De vraag over discriminatie door de politie wordt daarmee niet beantwoord ook al zou de Veilig Thuismelding terecht zijn. Bij deze klacht staat ook niet dat bij eerdere Veilig Thuismeldingen er ook sprake was van een discriminatieklacht. Voor de context is dat wel belangrijk.

    Ook bij een andere Haagse discriminatieklacht uit 2019 onderzoekt de commissie de discriminatie niet. De commissie spreekt over “zijn etnische achtergrond.” De klager meldt op het politiebureau dat een fiets die hij heeft aangeschaft “van diefstal afkomstig” zou kunnen zijn. Vervolgens wordt de persoon niet als getuige gehoord, maar meteen als verdachte. Natuurlijk terecht dat deze persoon het gevoel heeft dat er sprake is van discriminatie, hij vindt dat hij anders wordt behandeld door de overheid. Zou dat namelijk ook met een ‘witte’ Nederlander gebeuren?

     

    Een bekeuring kan terecht zijn, de discriminatieklacht ook

    Zonder de precieze klachten te kennen roepen de beschrijvingen van de burgers door de klachtencommissies al veel vragen op. Het laatste Haagse voorbeeld uit 2019 maakt daarbij duidelijk dat discriminatie alledaags lijkt voor niet witte Nederlanders. De persoon in kwestie doet melding van mogelijke diefstal en wordt niet gehoord als getuige maar als potentiële dader. Daarbij zal het ‘anders-zijn’ wel degelijk een rol hebben gespeeld, zeker in Den Haag.

    De andere Haagse klachten, zeker in de Haagse context van de “stelselmatige discriminatie van mensen met een migratieachtergrond en vrouwen”, roepen ook vragen op. Wat te denken van de beschrijving van een Nederlands staatsburger door de klachtencommissie als “klager van Marokkaanse afkomst, traditioneel gekleed en met traditionele gezichtsbeharing.” Bij de andere klacht over de Veilig Thuismelding klaagt de burger ook over een melding waarbij “afkomst en/of huidskleur” een rol hebben gespeeld.

    Nu zijn een melding over een ontvoering en melding over een kind zeer serieus. Als burgers echter klagen over discriminatie is de vraag natuurlijk of de Haagse politie met haar staat van dienst bij witte Nederlanders op vergelijkbare manieren zouden hebben gehandeld. En een andere belangrijke vraag om de discriminatieklacht te beoordelen is of de beschrijvingen van de klagers afkomstig zijn van de melders, de politie of de klachtencommissie? Voor de klagers zullen uiteindelijk de weinig ‘onafhankelijke’ beschrijvingen en behandeling van de commissie genoeg zeggen of hun klacht wel serieus is genomen.

    En dat speelt niet alleen in Den Haag, maar ook bijvoorbeeld in Amsterdam. Door het ontbreken van context en gedegen behandeling van klachten lijkt een burger in 2018 die zich gediscrimineerd voelt door de Amsterdamse politie omdat hij zou zijn gecontroleerd in het kader van “een bepaald signalement” geen serieuze klacht. De vraag is echter om welk signalement ging het hier (algemeen, vaag, gedetailleerd) en ook hoe de persoon in kwestie is benaderd. Het voorbeeld, zonder de directe klacht niet te vergelijken, roept wel herinneringen op aan de ‘hollende kleurling’ in de Warmoesstraat uit 1976. Het arrest in die zaak zou toch zeker voor klachtencommissie rechters gesneden koek moeten zijn.

    De persoon dient in 2018 een klacht in omdat hij zich gediscrimineerd voelde door de wijze waarop de politie hem aan het signalement koppelde, en dus zijn er legitieme vragen te stellen bij het politieoptreden. Ditzelfde geldt voor een Amsterdamse burenruzie in 2018 waarbij een klacht is ingediend tegen de wijkagent die zou hebben gediscrimineerd. Volgens de klacht zou de politiefunctionaris partij hebben gekozen wat al meteen vragen over het professionele handelen van de wijkagent moeten oproepen.

     

    Geen serieus onderzoek naar discriminatie

    Bij al die voorbeelden kijken de klachtencommissies niet verder dan de individuele klacht en wordt de staat van dienst van de betreffende politieagenten (houden zij vaker mensen van niet Nederlandse afkomst aan dan witte Nederlanders), hoe vaak een bepaalde burger al is lastiggevallen door de politie en andere aspecten ten aanzien van discriminatie en etnische profileren niet meegenomen in het onderzoek door de commissies.

    Het voorbeeld van de houding van de klachtencommissies uit 2022 in Oost-Nederland illustreert dit treffend. Een wijkagent reageert op een melding van derden en staat voor de deur bij een burger van “niet Nederlandse etniciteit en omdat hij Arabisch had gesproken.” In het verhaal van de commissie komt de melding zelf niet voor, ook niet of er onderzoek is gedaan naar de derden die de melding zouden hebben gedaan en naar de staat van dienst van de wijkagent.

    De commissie lijkt alleen maar de wijkagent te willen verdedigen terwijl er geen rekening mee wordt gehouden dat er een “clubje notoire racisten” bestaat bij de politie Oost-Nederland volgens onderzoek naar het app gedrag van agenten. Volgens de klachtencommissie was de wijkagent uit op “een open gesprek” en stond hij “laagdrempelig aan de deur.” Met de wijze van presentatie van de politie reactie portretteert de klachtencommissie de burger als onredelijk, maar is dat wel zo?

    Dit geldt ook voor de klachten over discriminatie bij fout parkeren in Den Haag in 2018 en Oost Nederland in 2023. De bekeuring kan volstrekt terecht zijn, maar het feit dat deze burgers het gevoel hebben dat zij anders behandeld worden lijkt een aanwijzing dat blijkbaar iedereen op die locaties parkeert zonder te worden beboet en dat zij zich anders behandeld voelen. Het feit dat de commissie in Den Haag spreekt over insinuaties maakt het gebrek aan professionaliteit en vooringenomenheid van de ‘onafhankelijke’ commissie extra duidelijk.

    Ook de verwijzing dat de burger de discriminatie “op geen enkele manier kon staven met feiten,” terwijl dat natuurlijk de taak is van of de politie of de commissie geeft aan wiens kant de klachtencommissie staat. In Oost Nederland maakt de commissie zich er gemakkelijk vanaf door te zeggen dat “het donker was en regende ten tijde van de controle.” Gebrekkige belichting gebruikt de klachtencommissie van Oost-Nederland in 2023 ook bij een andere klacht over etnisch profileren.

    Of de agenten van de politie-eenheid Oost-Nederland de politiesystemen hebben geraadpleegd om vast te stellen wie de bestuurder van de auto’s zouden kunnen zijn geweest of dat de verlichting ter plekke daadwerkelijk niet aanwezig was, is niet door de commissie onderzocht. Natuurlijk kan de bekeuring voor fout parkeren volstrekt terecht zijn geweest, maar dat geldt ook voor de discriminatieklacht want misschien zijn zij de enige bestuurders die op die locatie voor foutparkeren worden beboet.

    Ook controles kunnen hebben plaatsgevonden in het kader van politiewerk, maar klachtencommissies moeten ‘objectiveerbare gronden’ zorgvuldig onderzoeken anders is er sprake van racisme en daar gaan de klachten over. Professioneel optreden betekent dat een controle zeker als er geen overtreding heeft plaatsgevonden uit te leggen is aan zowel aan de burger als aan de samenleving. Het plotseling fabriceren van meldingen, ‘controle locaties’, verwijzingen naar Arabischsprekende mensen of bepaalde klederdracht en andere schijnbewegingen van de politie zouden voor een serieuze ‘onafhankelijke’ commissie reden zijn om in ieder geval een klacht te onderzoeken dan wel gegrond te verklaren.

     

    Wel etnisch profileren, maar geen politie racisme?

    Hoe absurd klachtencommissies reageren wordt duidelijk uit een Amsterdams voorbeeld uit 2016. In het jaarverslag staat dat “de commissie het gevoel van onmacht en irritatie van klager over het veelvuldige staande worden gehouden begrijpt.” De discriminatieklacht wordt echter niet gehonoreerd. Waarom deze niet gegrond wordt verklaard beargumenteerd de commissie niet in het verslag, maar het laat zich raden, de functionarissen handelden natuurlijk op basis van ‘objectiveerbare gronden’ of ieder geval waren er ‘geen aanwijzingen van oneigenlijke gronden’.

    Met deze algemene bewoordingen krijgt de politie altijd gelijk, zoals blijkt uit het feit dat een jaar later iemand anders opnieuw klaagt over het ten onrechte staande houden en zelfs fouilleren. De burger “zou vaker zonder reden door de politie worden staande gehouden waarbij dwangmiddelen tegen hem zijn uitgeoefend als de doorzoeking van zijn auto (Amsterdam 2017).” Nader onderzoek ontbreekt.

    Hoe beperkt de commissie kijkt maakt een Amsterdamse klacht uit 2017 duidelijk. De commissie schrijft dat zij “in het klachtdossier geen aanknopingspunt vindt om ervan uit te gaan dat de huidskleur van klager heeft meegewogen in de beslissing om klager te controleren.” De politie heeft de touwtjes stevig in handen bij de klachtenbehandeling en stelt dat de burgers wilden wegrijden op een locatie die op grond van ‘bekende informatie intensiever wordt gecontroleerd’. Of dit daadwerkelijk het geval was is niet door de commissie vastgesteld. Net zomin als meldingen worden onderzocht doet de klachtencommissie geen feitenonderzoek, de burger die is gediscrimineerd moet dit onderzoek zelf doen.

     

    Melding als verhulling van discriminatie?

    Hoe problematisch partijdigheid van klachtencommissies is, maakt het Amsterdamse voorbeeld uit 2021 over verkeersgedrag duidelijk. De politieagent beschuldigt een andere weggebruiker van “herhaaldelijk hoorbaar en overmatig gasgeven, het zichtbaar bumperkleven en het claxonneren.” In principe zou hier sprake zijn van verkeersovertredingen, maar volgens de agent wilde hij de bestuurder niet bekeuren, maar slechts “aan spreken op zijn gedrag”.

    Of dit een juiste weergave van de situatie is, is niet door de klachtencommissie vastgesteld. Locatie en het bestaan van eventueel nader onderzoek (beeldmateriaal) staat niet vermeld in het verslag. En hoewel “de verklaringen van de klager en de politieambtenaar op dit punt lijnrecht tegenover elkaar stonden” krijgt de burger opnieuw ongelijk.

    Ditzelfde geldt voor een burger in 2023 in Oost-Nederland die wordt staande gehouden en gecontroleerd. Pas op de hoorzitting komt de politie plots met verkeersgedrag op de proppen en weten de agenten de commissie te overtuigen dat dat een ‘objectiveerbare grond’ is. Dit voorbeeld laat echter zien dat de controle plaats vond op discriminatoire gronden en dat achteraf de zogenaamde gronden zijn bedacht omdat de burger klaagde over politie racisme. De commissie schrijft daarom dat “de betrokken medewerkers duidelijker uitleg hadden moeten geven over de reden van de controle.”

    Blijkbaar was er geen reden, maar werd die na een klacht plots ‘objectiveerbaar’ zonder specificatie. Achteraf discriminatoir politieoptreden ‘objectiveerbaar’ maken, lijkt bij meerdere voorbeelden uit Oost-Nederland te spelen. Zo ook de racistische controle op een parkeerplaats in 2022 waarbij op de hoorzitting van de klachtencommissie plots een melding van omstanders door de politie wordt gefabriceerd.

     

    Voorgekauwde politieverklaringen of onomstotelijk racisme

    Dit vergoelijken van racistisch politieoptreden laat de Amsterdamse klachtencommissie uitgebreid zien in 2013/2014. Twee jonge burgers worden bekeurd voor hangen op een ‘overlastlocatie’. De commissie schrijft: “Verbalisanten hebben niet vastgesteld of klagers inderdaad het gedrag van ‘hangers’ vertoonden.” Vervolgens lachten de racistische agenten de twee burgers uit, iets dat de commissie ook vaststelt: “Het door verbalisanten lachen om klagers of het hen uitlachen is naar het oordeel van de commissie niet professioneel.”

    Een van de agenten wilde zijn stamnummer niet geven wat een aanwijzing is dat er nog meer aan de hand is. De burgers willen vervolgens een klacht indienen bij het politiebureau, maar worden daar geconfronteerd met dezelfde agenten. Zij kunnen niet klagen bij dat bureau en “werden weer geconfronteerd met de drie politieambtenaren die zich agressief naar hen toe gedroegen.” Er zou zelfs sprake zijn van geweld. En wat oordeelt de commissie? Het laat zich raden, de discriminatieklacht is ‘feitelijk (?)ongegrond. Tot dit oordeel komt de commissie op grond van “de consistentie in de daarover afgelegde verklaringen” (lees identieke voorgekauwde) door de agenten.

    Burgers die uitgelachen worden door politiefunctionarissen is niet alleen niet professioneel te noemen, maar duidelijk een aanwijzing dat er iets aan de hand is bij die controle of bekeuring. Dat geldt ook voor de Haagse avondklok controle in 2021. De politieagent zegt dat de burger “beter terug kon gaan naar het land van herkomst.” Dat is een racistische opmerking en wat de burger al dan niet gezegd heeft is niet relevant want dan had de agent de persoon in kwestie moeten bekeuren voor discriminatie.

    Een onafhankelijke rechter had vervolgens naar de zaak kunnen kijken. Dat is niet gebeurd en de burger heeft de moeite genomen om een klacht in te dienen. Om de klacht vervolgens ongegrond te verklaren en de agent te verdedigen komt de Haagse klachtencommissie plots wel met irrelevante context, namelijk dat de agent een migratie achtergrond zou hebben. Daar waar commissies nooit komen met context over meldingen, controles, staten van dienst, systeembevragingen en omstandigheden om discriminatieklachten te onderzoeken wordt nu de context gebruikt om de agent te verdedigen. Het is duidelijk aan welke kant de commissies staan.

    Het beleid lijkt er dan ook op gericht om discriminatie en racisme weg te moffelen zelfs als dat eigenlijk niet mogelijk is. Bij een andere Amsterdamse klacht heeft een agent “een vervelende niet ter zake doende opmerking gemaakt tegen klaagster.” De burger die een verkeersboete heeft gekregen klaagt echter over discriminatie. Of zij het oneens was met de boete wordt niet vermeldt. De commissie verklaart de discriminatieklacht ongegrond, maar vindt wel dat “een dergelijke opmerking niet strookt met het vereiste dat de politie burgers zo veel mogelijk correct te woord staat.”

    Stond de politiefunctionaris echter de burger te woord? De commissie schrijft zelf dat hij of zij “een vervelende niet ter zake doende opmerking” maakte. Er was dus waarschijnlijk geen sprake van het te woord staan van een burger, het lijkt hier te gaan om een racistische opmerking die dus blijkbaar door de ‘onafhankelijke’ commissie wordt getolereerd. De analogie met het wegkijken door leidinggevenden van de Nederlandse politie ten aanzien van racistisch appgedrag ligt voor de hand.

     

    Na drie jaar discriminatieklacht wel gegrond

    Bij de discriminatieklacht over de “niet ter zake doende opmerking” door een politiefunctionaris is de opmerking zelf door de Amsterdamse klachtencommissie niet gepubliceerd. Het blijft dus gissen wat er is gezegd. Bij een andere klacht uit 2016, is die politieopmerking wel bekend. In 2016 zegt een agent tegen een burger: “”…We zijn hier niet in Thailand, waar alles maar kriskras door elkaar scheurt…”

    De burger, een taxichauffeur, dient een discriminatieklacht in. Natuurlijk vond de ‘onafhankelijke’ commissie die klacht ongegrond. De klager vervolgde zijn weg naar de Nationale Ombudsman (NOM) die hem in het gelijk stelde. De NOM schrijft dat de klachten over de politieman en de politie zelf gegrond worden verklaard “wegens schending van het behoorlijkheidsvereiste van respecteren van grondrechten.”

    Dat is me nogal wat het niet “respecteren van grondrechten.” De politie en de ‘onafhankelijke commissie krijgen ook nog een lees-tip, namelijk artikel 1 van de Grondwet. Een dergelijke verwijzing is geen kleine reprimande, maar een draai om de oren voor een commissie waarin rechters zitting hebben. Voor de burger is het gegronde oordeel van de NOM echter zuur, hij heeft drie jaar moeten wachten op een luisterend oor.

    Jaren later wel erkenning vinden bij de NOM is echter de norm, veel mensen hebben dan al het bijltje erbij neergelegd. Dit geldt niet alleen voor discriminatie of bejegeningsklachten zoals de bovenstaande of een Amsterdamse klacht uit 2017 die in 2019 door de NOM als gegrond is verklaard “… wegens schending van het vereiste van een fatsoenlijke bejegening.”

    In het jaarverslag van de ‘onafhankelijke’ klachtencommissie van de politie-eenheid Amsterdam uit 2019 komen vier voorbeelden voor van NOM uitspraken waarbij de commissie klachten ongegrond verklaarden en de NOM deze gegrond. Naast de bovenstaande twee ging het nog om “gegrond wegens strijd met het vereiste van een betrouwbare overheid en met het vereiste van een goede organisatie” en “wegens schending van het vereiste dat grondrechten van de burgers worden gerespecteerd.”

    Het is nogal wat. Een politiekorps dat de rechten van burgers niet respecteert, geen goede en betrouwbare organisatie is en mensen niet fatsoenlijk behandeld. Plus een organisatie die pal voor de rechtstaat zou moeten staan en als lees-tip artikel 1 van de Nederlandse Grondwet krijgt. Voeg daarbij dat die burgers uit de voorbeelden jaren moeten wachten op een oordeel waarbij hun grieven recht worden gedaan. Het werk van de ‘onafhankelijke’ klachtencommissies is ontluisterend en doet sterk denken aan wat er bij het politie appgedrag gebeurd.

     

    ‘Onafhankelijke’ klachtencommissies bedreigen klagers

    En hoe reageren de ‘onafhankelijke’ commissies van de politie? Die nemen de politie in bescherming en halen uit naar de klagers. Racistische agenten hebben het namelijk erg zwaar zo schrijft de voorzitter van de Amsterdamse commissie Henk de Graaff (gepensioneerd, voormalig strafrechter): “Klachten raken de politiemensen vaak hard op het gebeid (gebied red.) van hun integriteit en hun professionaliteit in de uitoefening van hun functie. Klagers realiseren zich vaak niet hoe hard hun klachten aankomen …”

    De commissie van de politie in Den Haag gaat nog een stap verder en bedreigd klagers: “De commissie merkte in haar advies verder op dat de beschuldigingen van klager een behoorlijke inbreuk maken op de integriteit van de betrokken politieambtenaar. De commissie acht dit onwenselijk.” Met dergelijke uitspraken van commissies waarin rechters zitting hebben is duidelijk waarom er maar 7 discriminatieklachten in twaalf jaar gegrond worden verklaard.

    Het aantal klachten over racisme bij de politie fluctueert door de jaren heen, maar 11 in 2017 en in 2024 en 22 in 2023 en 24 in 2018 laten geen dalende of stijgende lijn zien. Wel blijkt uit de praktijk van Buro Jansen & Janssen dat wie klaagt over de politie een zeer dikke huid moet hebben en in is voor ‘a long ride’. Vaak krijgen burgers nooit meer wat te horen, worden afgepoeierd, krijgen stroop om de mond gesmeerd (de agent had zijn dag niet en heeft het al zo zwaar) en burgers moeten door allerlei hoepels springen om hun klacht uiteindelijk door een ‘onafhankelijke’ commissie te laten behandelen.

    De kans op een afwijzing is niet alleen tijdens het klachten proces groot ook door de commissies dus die discriminatie klachten slechts in 3% van de gevallen gegrond verklaren. Wie deze cijfers over klachten ten aanzien van racistisch optreden van de politie naast de racistisch, seksistisch, antisemitisch en anti-islamitische uitspraken en teksten van 5 tot 15% van de Nederlandse agenten legt verbaasd zich niet over het geringe vertrouwen in de politie. De afwezigheid van een fair en transparant beleid ten aanzien van klachten in het algemeen en over discriminatie en etnisch profileren door de politie in het bijzonder spreekt daarom boekdelen.