Skafti

Jun 072016
 

Met lichte verbazing hebben wij kennis genomen van de antwoorden van de Haagse burgemeester van Aartsen en Minister van Veiligheid en Justitie Van der Steur op vragen van de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad over de betrouwbaarheid van het in 2014 verschenen onderzoek van de Universiteit van Leiden naar etnisch profileren in Den Haag.

De beantwoording van de in de Haagse gemeenteraad en Tweede Kamer gestelde vragen biedt nog steeds geen duidelijkheid over de precieze gang van zaken rond de totstandkoming van het Leidse onderzoek naar etnisch profileren. Uit de beantwoording blijkt bovendien dat het Haagse College van B&W en het Ministerie in feite onderkennen dat zij de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad in 2013-2014 onvolledig en onjuist hebben geïnformeerd.

Het College van B&W van Den Haag beschuldigt Buro Jansen & Janssen van “ongefundeerde en onjuiste veronderstellingen en niet onderbouwde en tendentieuze berichtgeving.” Wij zouden daarmee “een klimaat van verontwaardiging, onvrede en polarisatie” kweken. In dit artikel gaan wij puntsgewijs in op de antwoorden van het College en het Ministerie.

Afspraken tussen de Haagse politie en de Universiteit van Leiden

Volgens het College zijn er voorafgaand aan het onderzoek geen afspraken gemaakt om een mogelijk afbreukrisico te voorkomen wanneer het onderzoek zou wijzen op mogelijke discriminatie door de politie Haaglanden. Het College schrijft: “Vanuit diezelfde professionaliteit zijn bij de afweging over deze medewerking ook afbreukrisico’s in beschouwing genomen. Zo’n risico is dat individuele politiemensen zich kwetsbaar opstellen door mee te werken aan dit onderzoek. Om die reden is afgesproken dat de resultaten uit de masterscripties uitsluitend voor intern gebruik bedoeld zijn, en alleen geanonimiseerd als basis kunnen dienen voor wetenschappelijke artikelen.”(17 mei 2016)

Het Ministerie stelt dat “in de afweging om de medewerking te verlenen zijn door de politieleiding en de Universiteit Leiden ook mogelijke afbreukrisico’s besproken. Die zien op het feit dat individuele politieambtenaren zich open en kwetsbaar op zouden stellen door mee te werken aan het onderzoek.” Tevens verklaart het ministerie dat “de Universiteit van Leiden en de politie het onwenselijk vonden indien het onderzoek zou wijzen op mogelijke discriminatie door de Haagse politie is niet juist.”( 24 mei 2016)

 

De antwoorden van het College van B&W van Den Haag en het Ministerie van Veiligheid en Justitie zijn onjuist.

Ten eerste is anonimisering van individuele agenten gebruikelijk bij wetenschappelijk onderzoek naar de politie, dit wordt door de politie altijd toegepast. Een medewerker van de politie Haaglanden bevestigt dit ook in een mededeling aan OKD (Overleg Korpsdirectie Haagse politie) van 14 november 2011: “Afbreukrisico kan zijn dat het de aandacht kan vestigen op (mogelijke) discriminatie door de politie. Om die reden zal vooraf goed doorgesproken moeten worden met het Criminologisch Instituut wat de insteek is van het onderzoek: mcv of discriminatie. Op basis daarvan kan dan ook besloten worden of dit onderzoek naast de gebruikelijke anonimisering van personen ook anonimisering van het korps vereist.” Naast “de gebruikelijke anonimisering van personen” staat in deze mededeling dat de korpsdirectie aandringt op anonimisering van het korps.”

Ten tweede wordt in een email van dezelfde dag het onderwerp de anonimisering van het korps opnieuw genoemd en tevens verwezen naar de angst voor het noemen van discriminatie door de Haagse politie. “Maar in sommige gevallen wordt ook afgesproken dat het korps niet bij name genoemd wordt. Daarover moet van te voren een besluit worden genomen. Mag het korps wel genoemd worden, dan is het risico dat in de krant komt te staan: politie Den haag discrimineert, at dan niet meer of minder dan politie Amsterdam.”

In het Overleg Korpsdirectie van de Haagse politie van 27 december 2011 wordt het “onderzoek interactie politie —jonge allochtone (vs. autochtone) burger “ behandeld. Bij het kopje risico staat in de notulen van het overleg: “Afbreukrisico kan zijn dat het de aandacht kan vestigen op (mogelijke) discriminatie door de politie. Dit risico is met prof. Van der Leun besproken. Zij begrijpt de onwenselijkheid hiervan en heeft aangegeven dat zij dit punt expliciet zal bespreken met de studenten en dat ze hierop zal letten bij de tussentijdse besprekingen van de (concept-)scripties. Het is niet de bedoeling van het onderzoek om een vergelijking te maken tussen politie Amsterdam-Amstelland en politie Haaglanden.”

Tot slot komen de antwoorden van het College niet overeen met recente uitspraken van professor van der Leun van de Universiteit van Leiden in de media. In het NRC Handelsblad van 30 april 2016 wordt haar reactie gevraagd ten aanzien van het gebruik van het woord afbreukrisico: “Ze ontkent dat ze met de politie heeft gesproken over een mogelijk ‘afbreukrisico’. ‘In de gesprekken met de politie heb ik dat woord nooit gehoord’, zegt ze. De hoogleraar vermoedt dat de politie haar in interne correspondentie woorden in de mond heeft gelegd die zij nooit heeft uitgesproken,” aldus het NRC artikel.

Op basis van de stukken van de korpsdirectie van de Haagse politie is Buro Jansen & Janssen tot de conclusie gekomen dat er afspraken zijn gemaakt over de onwenselijkheid wanneer het onderzoek zou wijzen op mogelijke discriminatie door de politie Haaglanden. Het maken van afspraken over anonimisering van individuele agenten is een standaard procedure. Het College en het Ministerie hebben de gemeenteraad en de Kamer op dit punt onjuist geïnformeerd.

 

Scripties

In de antwoorden van het College en het Ministerie wordt gesproken over veldwerk uit 2012 ten behoeve van twee (in 2013 afgeronde) scripties, en een verdiepende analyse door de Universiteit van Leiden. Het College stelt: “Om die reden is afgesproken dat de resultaten uit de masterscripties uitsluitend voor intern gebruik bedoeld zijn, en alleen geanonimiseerd als basis kunnen dienen voor wetenschappelijke artikelen. In de verdiepende studie van professor Van der Leun, die er op gericht is om de mate van etnische profilering vast te stellen, is op deze wijze gebruik gemaakt van de gegevens.”

 

Toen het onderzoek naar etnisch profileren in Den Haag in november 2013 werd toegezegd, is nooit vermeld dat het onderzoek was gebaseerd op veldwerk uit 2012, dat werd uitgevoerd ten behoeve van twee (in augustus 2013 afgeronde) scripties, en is er nimmer gesproken over een ‘verdiepende studie’. Het Ministerie heeft hier op 4 november 2013 in de Tweede Kamer, en in haar kamerbrieven van 14 november 2013 en 10 januari 2014, niets over gemeld. Het College heeft hier op 7 november 2013 in de Haagse gemeenteraad, en in haar brief van 12 november 2013, niets over gemeld. Professor van der Leun hier op 4 december 2013 in de Haagse gemeenteraad niets over gemeld. Zij heeft pas op 4 juni 2014 aan de Haagse gemeenteraad (en in het rapport zelf) gemeld dat het veldwerk al in 2012 heeft plaatsgevonden. De Universiteit van Leiden heeft nooit (ook niet in het rapport) aangegeven dat er sprake was van twee scripties, en de term ‘verdiepende studie’ nooit gebruikt.

Het College en het Ministerie hebben de gemeenteraad en de Tweede Kamer in 2013 en 2014 onjuist en onvolledig geïnformeerd door niet te melden dat het onderzoek is gebaseerd op in 2012 uitgevoerd veldwerk ten behoeve van twee scripties, die in augustus 2013 afgerond waren.

 

Conclusies scripties

De twee scripties waren in augustus 2013 reeds afgerond. Uit de antwoorden van het College wordt niet duidelijk of het bestaan van de scripties en de conclusies van deze scripties in november 2013 bij het Haags gemeentebestuur en het Ministerie bekend waren. Het College beantwoordt deze vraag niet. Het Ministerie geeft in haar beantwoording wel enige duidelijkheid: “Uit navraag bij de gemeente Den Haag blijkt dat in januari 2014 het verdiepende onderzoek van professor Van der Leun nog gaande was. Wel waren de resultaten van de masterscripties al bij de politie bekend. Het ministerie heeft in december 2013 een ambtelijke terugkoppeling gehad over deze masterscripties.”

Buro Jansen & Janssen moet concluderen dat het bestaan van de scripties en de conclusies van deze scripties, in november 2013 bekend was bij de politie, en ieder geval in december 2013 bij het Haags gemeentebestuur en het Ministerie. De beantwoording door het College en het Ministerie schept geen duidelijkheid over de conclusies van de scripties.

 

Verdiepende analyse

Het College en het Ministerie introduceren in hun beantwoording de term ‘verdiepende analyse / verdiepende studie’, van het in 2012 uitgevoerde veldwerk. In 2013 en 2014 hebben het Haags gemeentebestuur, het Ministerie en de Universiteit van Leiden deze term nooit gebruikt. De universiteit hanteert als ondertitel van haar rapport “een verkennend onderzoek naar opvattingen en beslissingen op straat.”

In de Kamervragen van dhr. Marcouch wordt gevraagd of het Leidse rapport is gebaseerd op ander onderzoek dan de twee masterscripties. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie beantwoordt deze vraag niet, maar verwijst naar de beantwoording door het College en naar de methodologische verantwoording van het Leidse rapport.

De beantwoording door het College en het Leidse rapport geven echter geen antwoord op deze vraag. Volgens het College zijn “in het vervolgonderzoek van de universiteit 60 situaties, waarin agenten handelden op basis van hun discretionaire beslissingsruimte, nader geanalyseerd” en zou dit de verdiepende analyse zijn. In het Leidse rapport wordt de term ‘verdiepende analyse’ niet gebruikt, worden de twee scripties niet genoemd en wordt niet vermeld dat het veldwerk aanvankelijk is verricht ten behoeve van deze twee scripties.

Professor Van der Leun geeft in recente media uitlatingen evenmin nadere duidelijkheid. Op de vraag “U zegt niet meer te willen discussiëren over details, maar is het niet heel normaal dat wetenschappers kritiek krijgen op hun onderzoeksmethode en daarover met anderen in discussie gaan?” antwoordt Van der Leun: ‘In het rapport kan iedereen lezen hoe het onderzoek methodologisch in elkaar steekt en waarmee we rekening moesten houden” (Mare Online, 12 mei 2016). Door te verwijzen naar de methodologische verantwoording in het Leidse rapport blijft de onduidelijkheid bestaan. In het rapport wordt geen melding gemaakt van de twee scripties, de term ‘verdiepende analyse’ wordt niet gehanteerd, en er wordt niet duidelijk gemaakt hoe deze analyse zich verhoudt tot de analyse in de twee scripties.

Het is onduidelijk in hoeverre verdiepende analyse in het Leidse rapport overeen komt met de analyse in de twee scripties. De scripties, en het veldwerk c.q. onderliggend onderzoeksmateriaal zijn, door de Universiteit van Leiden, de politie, de gemeente Den Haag en het Ministerie niet openbaar gemaakt.

 

Het observatie onderzoek

De Universiteit van Leiden schrijft in haar rapport van 2014 dat het observatie onderzoek op een ‘redelijk vrije manier’ heeft plaatsgevonden, waarbij er nauwelijks is gevraagd naar de overwegingen van politieagenten bij de keuze welke personen te controleren. In een via de WOB verkregen niet-gepubliceerde wetenschappelijke publicatie onderkennen de onderzoekers dat er geen systematisch observatie onderzoek is uitgevoerd.

In de Kamervragen van Dhr. Marcouch wordt gevraagd naar de betekenis van het ontbreken van systematisch observatie onderzoek voor de waarde van het onderzoek. De Minister geeft echter geen antwoord op deze vraag. Ook het College gaat niet op deze vraag in, maar schrijft dat in het vervolgonderzoek door de Universiteit van Leiden “situaties waarin agenten handelen op basis van hun discretionaire beslissingsruimte” nader zijn geanalyseerd.

De beantwoording door het College maakt de situatie nog onduidelijker. In het Leidse rapport staat expliciet vermeld dat de juridische context van de discretionaire beslissingsruimte niet is onderzocht. “Er moet worden benadrukt dat niet is onderzocht op grond van welke bevoegdheden agenten precies hebben gehandeld en dat situaties niet juridisch zijn getoetst.”

Er bestaan vraagtekens over het observatie onderzoek, welke in de beantwoording door het College en het Ministerie niet worden weggenomen.

 

Wie nam het initiatief tot het opschalen van de scripties tot een ‘nationaal onderzoek’

Het initiatief voor het onderzoek ten behoeve van twee masterscripties criminologie werd in 2011 genomen door de Universiteit van Leiden. Dit onderzoek was primair bedoeld voor intern gebruik en er is afgesproken dat de gegevens na toestemming van de Haagse politie eventueel mogen worden gebruikt voor wetenschappelijke publicaties. In november 2013 werd echter besloten om het door de twee studenten uitgevoerde veldwerk te gebruiken voor een publiek toegankelijk onderzoek, nadat in de Haagse gemeenteraad en de Tweede Kamer was gevraagd om wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren. In de beantwoording van de vragen blijft onduidelijk wie het initiatief heeft genomen tot het schrijven en publiceren van een rapport door de universiteit van Leiden.

Het Ministerie en het College gaan in hun beantwoording niet op deze kwestie in. Deze vraag is echter erg degelijk relevant, omdat de twee masterscripties in augustus 2013 waren afgerond en de conclusies van de scripties in november 2013 ieder geval bij de politie Haaglanden bekend waren.

 

Discriminatie is een ernstige zaak, discriminatie door de overheid helemaal. Ons uitgebreide onderzoek maakt duidelijk dat het Leidse onderzoek veel vragen oproept.

Uit de beantwoording blijkt bovendien dat het Haagse gemeentebestuur en het Ministerie in feite onderkennen dat zij de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad in 2013-2014 onvolledig en onjuist hebben geïnformeerd. De antwoorden van de bestuursorganen scheppen niet meer, maar eerder minder duidelijkheid.

 

 

 

May 312016
 

Het beleid ten aanzien van Multicultureel Vakmanschap bij de politie heeft gefaald. Dit blijkt uit openbaar gemaakte documenten. Daarnaast stelde het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit, van 2007 tot eind 2014 verantwoordelijk voor beleid en trainingen om interne en externe discriminatie tegen te gaan, weinig tot niets voor.

Onderzoeken naar eigen ervaringen met de politie maken duidelijk dat veel mensen de indruk hebben dat agenten discrimineren. Eind december 2015 verscheen het rapport Werelden van verschil, over de sociaal-culturele afstand en positie van migrantengroepen in Nederland van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP). [16-12-15] In het SCP-rapport wordt gesteld dat migrantenjongeren ‘in alledaagse situaties, op de arbeidsmarkt en in contact met de politie uitsluiting ervaren.’

Dit zorgt voor een tweedeling die spanningen kan oproepen: ‘Onder deze jongeren leeft ook een wantrouwen tegenover de Nederlandse media, de landelijke politiek en de politie. Dit draagt bij aan het gevoel geen onderdeel te zijn van de Nederlandse samenleving.’ Ervaren discriminatie is echter nog geen bewijs voor het structureel plaatsvinden van discriminatoir gedrag van agenten. Wetenschappelijke onderzoeken echter geven hier ook geen eensluidend antwoord op.

Als antwoord op de aantijgingen van discriminatoir optreden van politiefunctionarissen zet de politie sinds enkele jaren in op multicultureel vakmanschap. Op de website van de politie wordt dit vakmanschap gedefinieerd als ‘de professionaliteit van politiemedewerkers om om te gaan met de vele culturen en leefstijlen in de politieorganisatie en in de samenleving. Deze professionaliteit gaat over kennis, houding, respect, gedrag en het kunnen omgaan met culturele dilemma’s.’

De term is al geruime tijd in zwang. Zo spraken het Ministerie van Binnenlandse Zaken (dat toen nog verantwoordelijk was voor de politie) en de toenmalige korpsen al in 2007 af dat ‘de korpsen zorgen voor ontwikkeling Multicultureel Vakmanschap (MCV) bij alle medewerkers’. MCV kan een bijdrage leveren aan het tegengaan van politiediscriminatie. Professioneel omgaan met culturen in de samenleving betekent immers: non-discriminatoir en politieoptreden dat niet is gebaseerd op vooroordelen over etnische minderheden. Een serieus MCV-beleid kan dus een indicatie zijn dat de overheid en politie discriminatie serieus nemen.

MCV-beleid

In dit artikel wordt nader ingegaan op de vraag of de doelstelling uit 2007 is gehaald: zorgt de politie inderdaad voor de ontwikkeling van multicultureel vakmanschap bij al haar medewerkers? Daarnaast gaat het om de vraag of er serieus beleid wordt gevoerd rond MCV en of de politie hiermee politiediscriminatie tegengaat. Wordt er landelijke sturing aan dit MCV-beleid gegeven en hoe vertaalt zich dat naar de afzonderlijke eenheden? Wat houdt dit concreet in voor de trainingen en cursussen die over MCV worden gegeven? Waar gaan deze trainingen precies over, hoeveel politiefunctionarissen hebben trainingen gevolgd, en wat is het effect van die cursussen?

Dit artikel maakt duidelijk dat – hoewel de term MCV alweer tien jaar geleden werd geïntroduceerd – er geen landelijk beleid wordt gevoerd op dit onderwerp. Dit wordt duidelijk aan de hand van de geschiedenis van het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit (LECD) dat tussen 2003 en 2015 het beleid mede vorm diende te geven, en dat sinds 2012 door de Nationale Politie wordt ondernomen.

Buro Jansen & Janssen heeft in 2015 een WOB-verzoek ingediend waarin werd verzocht om documenten openbaar te maken over onder andere MCV. De interne via de WOB openbaar gemaakte documenten schetsen een beleid waar landelijke leiding en sturing ontbreekt. Wel nemen regionale politie-eenheden initiatieven maar die getuigen van een zeer diverse invulling van het begrip MCV waarbij het de vraag is in hoeverre het nog gaat over waar MCV mede voor bedoeld was: het tegengaan van politiediscriminatie.

De zoektocht naar het MCV bij de politie is niet eenvoudig. Begripsverwarring ligt voortdurend op de loer en de politie gebruikt omfloerst taalgebruik. Die begripsverwarring gaat zowel over het woord discriminatie maar ook over het MCV zelf. Het benoemen van de term discriminatie ligt gevoelig, zeker in relatie tot de politie. Wanneer de term discriminatie in politiedocumenten wordt gebruikt, slaat dit doorgaans op discriminatie door burgers. Discriminatie binnen de politieorganisatie en discriminatie van burgers door de politie worden zelden expliciet als discriminatie benoemd.

Multicultureel vakmanschap wordt in politiedocumenten niet alleen op allerlei manieren ingevuld, maar ook soms vervangen door andere begrippen. Zo kan MCV gaan over aan eer gerelateerd geweld (EGG) of over het begrijpen van een cultuur in een moordzaak zoals de politie dat omschrijft als Netwerken, leefstijlen & cultuur (NLC). Naast EGG, NLC wordt ook het spotten van ‘verdacht gedrag’ als invulling van MCV gebruikt, het zogenoemde SDR (search, detect, react), dat als een soort wetenschappelijke methode wordt gepresenteerd. Het wil echter niet zeggen dat het niet gebaseerd is op vooroordelen.

Sinds 1 januari 2013 zijn de vroegere 26 politiekorpsen opgegaan in de Nationale Politie bestaande uit elf eenheden. In dit artikel wordt de aanduiding ‘korpsen’ zoveel mogelijk gebruikt voor situaties voorafgaand aan 2013 en ‘eenheden’ voor de periode sindsdien.

Discriminatoire politie

Dit artikel is een vervolg op Discrimineert de politie van 23 juli 2013 dat geschreven is naar aanleiding van een onderzoek dat in 2012 werd gestart. In 2012 vroeg Buro Jansen & Janssen middels een beroep op de WOB beleidsdocumenten op bij alle toenmalige 25 politieregio’s. Het informatieverzoek betrof: ‘rapportages, evaluaties en notities ten aanzien van selectief, discriminatoir handelen, optreden of op een andere manier functioneren van zowel individuele functionarissen als beleidsmatig handelen van het apparaat als geheel.’

Vijftien regio’s antwoordden over geen relevante documenten te beschikken. Negen korpsen stuurden J&J documenten toe, veelal rapportages van politieklachtencommissies. Uit het WOB-verzoek bleek dat de meeste korpsen geen beleid voerden op het gebied van discriminatie. Het WOB-verzoek van 2012 maakte duidelijk dat er geen sprake is van eenduidig beleid binnen de politiekorpsen om politiediscriminatie tegen te gaan.

Uit sommige door de politie openbaar gemaakte stukken van enkele korpsen kwam wel naar voren dat de urgentie van het tegengaan van politiediscriminatie binnen het korps wordt onderkend. In een document van het toenmalige regionale korps Limburg Noord wordt zelfs vermeld dat ‘een politie die door een deel van de bevolking als ontoegankelijk, weinig respectvol, stigmatiserend of zelfs discriminerend wordt ervaren, het lastig heeft.’ [Stand van Zaken aanpak discriminatie, 2009 of februari 2011].

De politie Zeeland gaat nog een stap verder: ‘Uit discriminatie ervaringen in 2005 blijkt dat discriminatie door gezagsdragers en andere publieke functionarissen meer negatieve impact heeft op personen dan andere vormen van rassendiscriminatie.’ Deze opmerkingen zijn ook terug te vinden in landelijke documenten van de politie, zoals de beleidsnota discriminatie van de Raad van Hoofdcommissarissen uit 2008.

Voortbordurend op het onderzoek uit 2013 heeft Buro Jansen & Janssen in 2015 een nieuw WOB-verzoek ingediend waarin werd verzocht om alle documenten over ‘multicultureel vakmanschap, meervoudig kijken, het herkennen van en omgaan met vooroordelen, SDR (search, detect, react) en ontwikkeling van de drie grondhoudingen.’ Dit keer lag de nadruk niet op het discriminatoir optreden van de politie zelf, maar op de trainingen en cursussen om discriminatie tegen te gaan.

Eenheid Rotterdam

In reactie op het nieuwe WOB-verzoek heeft de politie nieuwe stukken openbaar gemaakt. In sommige stukken wordt, net als bij het WOB-verzoek van 2012, opnieuw gerefereerd aan de urgentie voor het tegenaan van discriminatie van burgers door politieagenten.

De eenheid Rotterdam maakte het document EMO20042015, ‘plan van aanpak Veilig buiten veilig binnen’. openbaar. In dat document beschrijft de eenheid zoals zij de huidige maatschappelijke verhoudingen aanschouwt: ‘De hedendaagse ontwikkelingen in onze samenleving, zoals verscherpte verhoudingen tussen bevolkingsgroepen – vaak als gevolg van conflicten elders – doen een toenemend beroep op het vermogen van de politie in een polariserende samenleving om de-escalerend en stabiliserend op te treden en de vrede te bewaren.’

Volgens de politie Rotterdam zou daarop het antwoord moeten zijn: ‘een politieorganisatie die op basis van goed onafhankelijk politiewerk, kennis & vakmanschap, het verschil maakt door het verschil te zien zonder onderscheid te maken.’ Discriminatie door politiefunctionarissen hoort in een dergelijke organisatie dus niet thuis, zowel niet naar collega’s als naar burgers. De conclusie is helder en sluit aan bij het SCP-rapport over de uitsluiting van migrantenjongeren: ‘Als we hier niet op de juiste manier invulling aan geven daalt het vertrouwen in de politie en staat onze legitimiteit ter discussie.’

Rotterdam is in een ander openbaar gemaakt document nóg explicieter en legt de link tussen discriminatie door de politie, etnisch profileren en multicultureel vakmanschap. In een niet gedateerd discussiedocument ‘multicultureel vakmanschap, discriminatie en etnisch profileren’ [begin 2015] wordt discriminatie door de politie benoemd:

‘Uit onderzoek blijkt dat bij identiteitscontroles, verkeerscontroles en preventief fouilleren etnische minderheden vaker lijken te worden gecontroleerd dan andere groepen mensen, zonder dat hier een objectiveerbare reden toe is. Hierbij wordt kennelijk geselecteerd op grond van ras, huidskleur, nationaliteit, taal of religie. Etnische minderheden lijken daarbij sneller gezien als een risico of aangemerkt als ‘verdacht’, zonder dat zij iets doen. … De politie treedt dus op tegen discriminatie, maar lijkt zich hier soms zelf ook schuldig aan te maken.’

Discriminatie binnen eigen organisatie

Het discussiedocument van de Rotterdamse eenheid gaat niet alleen over politiediscriminatie van burgers, maar ook over discriminatie binnen de politieorganisatie zelf. Het document stelt: ‘Daarnaast komt het de laatste tijd vaker voor dat m.n. allochtone en/of islamitische collega’s zich niet veilig voelen op het werk, omdat er bijvoorbeeld door collega’s kwetsende opmerkingen gemaakt worden over het islamitische geloof. Ze voelen zich onder druk gezet om verantwoording af te leggen over hun geloof. Het gaat hierbij niet alleen om het gevoel van ‘gediscrimineerd’ worden, maar over ongewenste omgangsvormen in het algemeen.’

De opsteller(s) van het document hebben het naast discriminatie op grond van ras en religie ook over discriminatie op grond van seksuele geaardheid: ‘En dit punt geldt niet alleen voor allochtone/islamitische collega’s. Ook van homoseksuele politiemensen krijgen we soortgelijke signalen.’

Onder de kop bewustwording/leiderschap concluderen de opstellers dat ‘het actief bespreken van de politietaak in relatie tot de huidige polarisatie en de erkenning van het feit dat etnisch profileren zich ook voordoet binnen de politie de eerste stap is richting bewustwording […] De aanname dat er sprake is van etnische profilering en dat we ons er (bijna) allemaal (onbewust) schuldig aan maken vraagt om een andere, meer open houding en alertheid op onze eigen motieven, houding en gedrag.’ De notitie bevat ook een gedeelte over het ‘vervolg’, waarin staat vermeld dat de notitie op 16 maart 2015 tijdens een management-teamoverleg van de eenheid besproken zal worden. De status van het document is niet bekend noch of, en welke opvolging de leiding van de eenheid Rotterdam aan het document heeft gegeven.

Het Rotterdamse document toont aan dat het tegengaan van politiediscriminatie door sommigen binnen de politieorganisatie van belang wordt bevonden. De strekking van het discussiestuk komt overeen met een interne memo van voormalig chef Bouman van de Nationale Politie van februari 2015, waar het NRC Handelsblad begin 2015 uit citeert. ‘Binnen de Nationale Politie worden moslimagenten door collega’s uitgesloten, gekleineerd en zonder respect behandeld’, aldus Bouman. En dat niet alleen, moslims zouden volgens hem ‘willekeurig van straat worden geplukt.’

De interne memo staat in schril contrast met de reactie van Bouman op een rapport van Amnesty International over etnisch profileren van eind 2013. Amnesty concludeerde dat er aanwijzingen zijn voor het plaatsvinden van etnisch profileren. Over de omvang van het fenomeen kan de organisatie niets zeggen op basis van de bestaande literatuur. Amnesty riep de overheid op om het plaatsvinden van etnisch profileren te onderkennen en meer onderzoek te laten doen.

Destijds vond Gerard Bouman dat het Amnesty-rapport ‘iedere politiemedewerker ernstig tekort’ doet en dat het daardoor ‘onze complexe taken in onze complexe samenleving bepaald niet eenvoudiger op maakt’. [politie.nl 01-11-13] Het artikel van Bouman laat de indruk achter dat dat hij anderhalf jaar na zijn kritiek op Amnesty in 2015 meer belang hecht aan het tegengaan van politiediscriminatie, maar met zekerheid is dat niet te stellen.

Landelijk Expertisecentrum Diversiteit

Toch staat het onderwerp diversiteit en discriminatie bij de politie al veel langer op de agenda. Vijftien jaar geleden, op 1 maart 2001 om precies te zijn, werd het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit (LECD) onder verantwoordelijk PvdA-minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Klaas de Vries opgezet om, zoals de naam al suggereert, de diversiteit bij de politie te vergroten. De politie viel toen nog onder het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Het LECD moest op allerlei terreinen ondersteuning bieden aan de diversiteit binnen de politiekorpsen. Het ging toen onder meer over trainingen, cursussen, begeleiding en andere taken. Naast ondersteuningswerk was het LECD vooral opgezet om te komen tot landelijk beleid met betrekking tot diversiteit. In januari 2006 kreeg het voortbestaan van het LECD vier extra jaren door toenmalig VVD-minister Remkes toegezegd om haar taken uit te kunnen voeren. Opnieuw was de centrale taak diversiteit binnen de korpsen. Discriminatie was lange tijd niet in het takenpakket van het LECD opgenomen. In het instellingsbesluit van 2001 en de verlengingen in 2003 en 2006 komt het niet voor.

Pas in 2010 wordt discriminatie in het takenpakket opgenomen. In januari 2010, bij de laatste verlenging van het bestaan van het LECD door CDA-minister Hirsch Ballin staat het woord discriminatie in het verlengingsbesluit naast diversiteit en de gevleugelde term multicultureel vakmanschap, die ook al niet eerder in de ministeriële besluiten was voorgekomen. Uit de ministeriële besluiten van Binnenlandse Zaken wordt niet duidelijk of het nu gaat om discriminatie door de politie of discriminatie door burgers.

Na dertien jaar komt er, op 1 januari 2015, een eind aan het LECD. De laatste vier jaar heeft het centrum gewerkt aan het borgen van definities, activiteiten en beleid binnen de Nationale Politie. Dit roept vragen op over de activiteiten ten aanzien van het verbeteren van de diversiteit in de eerste negen jaar van het bestaan van het LECD. Toch blijft de vraag waarom het ‘borgen’ van beleid binnen de politie niet van dag één door het centrum werd gestimuleerd maar pas gedurende de laatste vier jaar van haar bestaan.

Volgens de evaluatie van het LECD door Regioplan Beleidsonderzoek vormde een van de problemen van het centrum dat zij naast de politieorganisatie was gesitueerd en niet binnen de organisatie zelf wat haar effectiviteit heeft beperkt. Een andere reden zou kunnen zijn dat het centrum zelf niet meer naar behoren functioneerde en de laatste jaren gekenmerkt werd door interne problemen.

In Discrimineert de politie? [Buro Jansen & Janssen, juli 2013] kwam het LECD aan bod. ‘Probleem is dat het expertisecentrum van de politie, het centrum dat de participatie van allochtonen, vrouwen, homoseksuelen en gehandicapten bij de politie moet bevorderen, zelf niet het schoolvoorbeeld is van een organisatie die diversiteit hoog in het vaandel heeft staan.’ In het artikel wordt beschreven hoe er uiteindelijk nog maar één allochtone medewerker in dienst was bij het LECD en dat een onderzoek concludeerde dat: ‘Leidinggevenden binnen de politieacademie veel te weinig hebben gedaan aan klachten van medewerkers over machtsmisbruik, discriminatie en interne ruzies.’ [Rapportage onafhankelijk onderzoek LECD, 22-03-12]

Dertien jaar voor noppes

In 2014 verschijnt er een evaluatie van het LECD, samengesteld door het externe onderzoeksbureau Regioplan Beleidsonderzoek. Regioplan concludeert dat ‘de activiteiten van het LECD vooral betrekking hebben gehad op de fasen van bewustwording en planvorming’ en dat ‘van daadwerkelijke implementatie op de werkvloer’ minder terecht is gekomen. Dertien jaar diversiteitsbeleid van het LECD heeft ‘slechts in beperkte mate geleid tot (blijvende) gedragsverandering’, waarbij blijvend zelfs tussen haakjes is geplaatst.

Die geringe verandering is nog verontrustender als wordt gekeken naar het bereik van het centrum. Regioplan schrijft op basis van gesprekken met politiefunctionarissen en documenten van het LECD dat ‘LECD-activiteiten vooral veel mensen hebben bereikt die zich uit hoofde van hun functie al met diversiteit bezighouden.’ Geringe gedragsverandering voor een beperkte groep functionarissen die zich toch al met diversiteit bezig hielden, klinkt niet echt als een solide prestatie van een bestuursorgaan in dertien jaar tijd.

Volgens Regioplan zijn de resultaten van het werk van het LECD niet eens meetbaar. Onder opbrengsten schrijft het bureau: ‘Op activiteitenniveau is niet goed vast te stellen wat de resultaten zijn van de interventies en of en hoe deze bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het LECD ten aanzien van diversiteit.’ Binnen het centrum zelf is nog nooit systematisch gekeken naar de effecten van haar werkzaamheden.

Enkele politiefunctionarissen zijn wel positief over het LECD, maar ook bij hen draait het om de selecte groep die zich toch al met het thema diversiteit bezighield. Deze functionarissen zouden blij zijn met de ‘aanjaagfunctie (het onder de aandacht brengen en houden van het thema) en het neerzetten en faciliteren van structuren binnen de politieorganisatie.’

Of dit de miljoenen aan belastinggeld voor het LECD rechtvaardigt, is de vraag, zeker als ook nog eens blijkt dat ‘een complicerende factor in het beoordelen van de opbrengsten van het LECD is dat gesignaleerde veranderingen in de voormalige regiokorpsen niet altijd (alleen) zijn toe te schrijven aan het LECD. Ook vanuit de voormalige regiokorpsen zelf zijn ontwikkelingen op dit vlak in gang gezet.’

Wie het evaluatierapport van Regioplan doorleest komt tot de slotsom dat dertien jaar lang een diversiteitscentrum in leven werd gehouden zonder dat duidelijk is wat het centrum heeft bijgedragen. Maar het ministerie van Veiligheid en Justitie, dat sinds 2010 verantwoordelijk is voor de politie en hiermee dus ook voor het LECD, geeft haar eigen draai aan de evaluatie.

In een interne nota van 11 februari 2015 schrijft het ministerie: ‘De evaluatie wijst uit dat het LECD met name veel activiteiten heeft uitgevoerd die betrekking hebben op de fasen van bewustwording en planvorming […] Uit de gesprekken ontstaat het beeld dat de belangrijke resultaten vooral gelegen zijn in de structuren (aandacht voor de thema’s) en het neerzetten en faciliteren van structuren binnen de politie organisatie die belangrijk zijn voor goed diversiteitsbeleid.’

Daar waar Regioplan spreekt van borgen aan de hand van dezelfde definities, doet het ministerie het voorkomen alsof er structuren zijn opgebouwd die de veranderingen al bijna hebben bewerkstelligd. Het ministerie merkt nog wel op dat er niet is geëvalueerd, maar daar zijn de woorden ‘niet systematisch’ aan toegevoegd. Daardoor lijkt het alsof het LECD haar activiteiten zelf heeft gemonitord en geëvalueerd, wat niet het geval is. Het beperkte bereik van het LECD, het feit dat onduidelijk is of de voormalige regiokorpsen zelf niet al het een en ander in gang hadden gezet: de ambtenaren van het ministerie benoemen het niet.

In de interne beleidsreactie adviseert een ambtenaar de minister om de Kamer te paaien. ‘De Kamer en media hechten groot belang aan diversiteit van het politiepersoneel en aan de aanpak van discriminatie. Gezien de publieke belangstelling en de moeilijk vast te stellen resultaten van het LECD wordt u aangeraden het evaluatierapport zelf met een beleidsreactie naar de Kamer te sturen’, schrijft een senior beleidsmedewerker van het ministerie. Volgens de ambtenaar moet de minister dan ook nog even opmerken dat ‘u als korpschef de aandacht heeft voor de thema’s diversiteit en discriminatie en voor goede borging van de LECD-activiteiten.’

Niets veranderd

Multicultureel Vakmanschap (MCV) werd in de periode 2006-2009 geïntroduceerd binnen de politieorganisatie. In het document ‘de samenwerkingsafspraken diversiteit bij de politie van 2008-2011 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties’ van november 2007 is de ‘Ontwikkeling van multicultureel vakmanschap’ expliciet opgenomen. Het gaat in het document vooral over een ‘ontwikkelproces rondom het multicultureel vakmanschap’ door het LECD in samenwerking met de politieacademie en de korpsen en de ontwikkeling van een ‘leerlijn multicultureel vakmanschap’ door de politieacademie. De Inspectie Openbare Orde en Veiligheid concludeerde in het rapport Diversiteit bij de politie van 2009 dat er niet veel was opgeschoten.

Vanaf 2010 is het LECD pas verantwoordelijk voor de ontwikkeling van het MCV. Het LECD heeft daartoe een leerlijn MCV mede vormgegeven, bijgedragen aan expertgroepen MCV binnen de korpsen en incidentele ondersteuning verleend. Van de ontwikkeling van het MCV is niet veel terecht gekomen, blijkt uit de LECD-evaluatie van Regioplan Beleidsonderzoek. Enkele regiokorpsen geven aan dat de ontwikkelingen in hun korpsen onafhankelijk van het LECD zijn gegaan. Met de opheffing van het LECD op 1 januari 2015 is de vraag: hoe gaat het nu verder met het Multicultureel Vakmanschap?

Zowel de evaluatie van Regioplan als twee nota’s van het ministerie van Veiligheid en Justitie van 4 december 2014 en 11 februari 2015 spreken veelvuldig over de borging van de ‘werkzaamheden en activiteiten van het LECD’ binnen de Nationale Politie. De nota van 4 december 2014 van het WODC (Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum) van het ministerie van Veiligheid en Justitie stelt dat ‘per 1 januari 2015 […] de activiteiten van het centrum zijn overgedragen en geborgd binnen de nationale politie. De definities die het LECD en de nationale politie hanteren voor deze thema’s sluiten nauw bij elkaar aan en staan borging niet in de weg.’ Wat die borging precies inhoudt, wordt niet uitgelegd.

Een belangrijk onderwerp van die borging is het multicultureel vakmanschap (MCV). De omschrijving van het begrip MCV is dusdanig breed dat er grote kans bestaat dat verschillende eenheden het begrip anders uitleggen. Want wat is precies ‘de professionaliteit van politiemedewerkers om om te gaan met de vele culturen en leefstijlen in de politieorganisatie en in de samenleving.’ Daarbij komt dat die ‘professionaliteit gaat over kennis, houding, respect, gedrag en het kunnen omgaan met culturele dilemma’s.’

Gezien het belang dat binnen de overheid en de politie aan het MCV wordt gehecht, zou men verwachten dat bij een dusdanig complex begrip er landelijk beleid is ontwikkeld. Dit beleid ten aanzien van diversiteit en discriminatie bij de eenheden moet door de eindverantwoordelijke, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en/of de Nationale Politie, worden ontwikkeld nu het LECD is opgeheven.

Nationale Politie

Met het WOB-verzoek richtte Buro Jansen & Janssen zich in april 2015 op de trainingen en cursussen bij de politie. Er werd verzocht om alle documenten over het aantal trainingen dat door politie Nederland en haar eenheden op de terreinen multicultureel vakmanschap, meervoudig kijken, het herkennen van en omgaan met vooroordelen, SDR (search, detect, react), ontwikkeling van de drie grondhoudingen is aangeboden aan haar functionarissen, een overzicht van het aantal functionarissen dat aan deze trainingen heeft deelgenomen en het interne beleid ten aanzien van het deelname aan deze trainingen.

Middels het WOB-verzoek verwachtte Buro J&J een overzicht te krijgen van zowel de landelijke aanpak als de aanpak van de eenheden, en andere relevante documenten over aspecten van het MCV-beleid zoals effectmetingen ten aanzien van de bestrijding van politiediscriminatie, sturing en begeleiding van de eenheden om doelstellingen te behalen, richtlijnen voor cursussen en trainingen, de resultaten van cursussen.

In antwoord op het WOB-verzoek stelt de Nationale Politie (NP) dat ‘MCV de volle aandacht heeft binnen de NP en binnen deze overkoepelende term komen omgangsvormen aan de orde die betrekking hebben op discriminatie in welke vorm dan ook (etnisch profileren/discriminatoir optreden/seksuele geaardheid/diversiteit/integriteit of dergelijke).’

Volgens de NP is er ook sprake van een landelijke benadering: ‘Sinds de vorming van de NP is de inspanning erop gericht ook op dit gebied te komen tot een landelijke benadering van MCV met het doel dat politiefunctionarissen — waar zij ook werkzaam zijn — zich bewust blijven van de omgangsvormen (in- en extern) die onder andere van belang zijn voor vakmanschap waar het gaat om diversiteit in de samenleving (MCV).’ In antwoord op de WOB schrijft de directeur korpsstaf NP dat ‘de verstrekte informatie eigenlijk representatief is voor de NP.’

Blijft de vraag hoe die landelijke benadering er dan uitziet. Dit wordt niet duidelijk uit de openbare stukken van de NP en het Ministerie van Veiligheid en Justitie, en de via de WOB openbaar gemaakte stukken. Het antwoord van de directeur korpsstaf NP roept vragen op. Representatief is namelijk iets anders dan een concreet geformuleerd beleid en de implementatie van dat beleid.

Een andere vraag die in de WOB-stukken onbeantwoord blijft, is hoe de zogenoemde borging van het MCV-beleid binnen de NP tot stand is gekomen. Bij de opheffing van het LECD zouden de taken van het centrum zijn overgedragen aan de NP. Volgens Regioplan Beleidsonderzoek werd dit onder meer bereikt door middel van het afstemmen van de definities van het MCV en andere concepten tussen het LECD en de NP. Uit de WOB-stukken en beleidsdocumenten wordt niet duidelijk hoe het MCV geborgd wordt binnen de NP.

Het is tevens de vraag welk beleid dan representatief is voor het gehele nationale korps? Dat van de eenheid Noord-Holland of Rotterdam, de wijkagent uit Limburg of de enkele cursussen in Noord-Nederland? Zoals Regioplan in de evaluatie van het LECD al schrijft zijn door de voormalige regiokorpsen op het terrein van diversiteit en multicultureel vakmanschap al ontwikkelingen in gang gezet.

Die ontwikkelingen verschillen van korps tot korps in het verleden en eenheid tot eenheid sinds het ontstaan van de NP. De Landelijke benadering is beleid van dertien afzonderlijke NP-eenheden, niet van een gedeeld nationaal korps. Hieronder zullen we ingaan op de reactie van de eenheden op het WOB-verzoek. Hieruit blijkt dat er grote verschillen bestaan tussen de eenheden in de wijze waarop zij MCV benaderen.

Pluralistische politie

Het Multicultureel Vakmanschap bij de politie laat niet alleen een palet aan verschillende cursussen zien zowel qua aanbieders als vorm en inhoud, maar ook een zeer diverse benadering van het thema door de voormalige regiokorpsen en de huidige eenheden. Wie de stukken van de politie bekijkt, krijgt de indruk dat van enige regie geen sprake is. Iedere regio heeft zijn eigen benadering en dit lijkt vooral afhankelijk van de inzet, motivatie en prioriteiten van functionarissen die diversiteit, discriminatie, multicultureel vakmanschap, meervoudig kijken, pluralistisch denken of welke andere benaming of benadering van MCV in hun pakket hebben.

De Politieacademie schrijft in haar antwoord op het WOB-verzoek dat ‘het MCV onderwijs de afgelopen jaren is geïntegreerd in alle basisopleidingen aan de Politieacademie.’ De NP antwoordt in november 2015: ‘omdat het belang van MCV op al haar onderdelen zwaar weegt binnen de politie is de aan u verstrekte informatie eigenlijk representatief voor de Nationale Politie’. De directeur korpsstaf NP stelt: ‘sinds de vorming van de Nationale Politie is de inspanning erop gericht ook op dit gebied te komen tot een landelijke benadering van MCV.’ Die landelijke benadering is niet te ontwarren uit de veelheid van instanties die cursussen aanbieden, de diversiteit aan trainingen en het gebrek aan implementatie, strategie, sturing en evaluatie.

Is de aanpak van discriminatie door de politie, zoals voorgestaan door de Landelijke Eenheid en de eenheid Noord-Holland, representatief voor wat er landelijk gebeurt? Beide korpsen doen niets aan MCV, diversiteit en andere trainingen en beleid ten aanzien van mogelijk discriminatoir optreden van de politie. De NP schrijft: ‘Ik informeer u dat bij deze eenheden geen documenten met betrekking tot opleidingen MCV zijn aangetroffen. Tevens zijn bij deze eenheden geen andere documenten aangaande MCV aangetroffen.’

Of is de aanpak uit Rotterdam het voorbeeld. Het Rotterdamse korps kreeg in 2008 de ‘Diversiteitprijs Nederlandse politie 2008’ voor het project Prroud. Alle ruim 6.000 functionarissen werkzaam bij het korps kregen een training van twee dagen en een ‘congresbijeenkomst’. De stafjurist schrijft in 2015: ‘In het kader van diversiteit is door politie Rotterdam-Rijnmond destijds een training ingekocht: PRROUD. Dit speelde echter in 2009-2010 en in 2011 hebben de laatste medewerkers de training gevolgd. Ik kan geen evaluaties of iets dergelijks vinden.’

De NP schrijft dat bij de eenheid Rotterdam ‘geen documenten aangaande opleidingen zijn aangetroffen, wel een notitie Plan van aanpak Veilig buiten veilig binnen, discussiedocument MCV, discriminatie en etnisch profileren.’ Sinds 2011 hebben er geen Rotterdamse agenten aan trainingen en cursussen deelgenomen.

Eenheid Amsterdam

In Amsterdam zijn er geen cursussen MCV gegeven of ingekocht, ook niet na het onderzoek van antropoloog Çankaya. Dit is opvallend want de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid noemt Amsterdam in haar advies van 2009 nog als voorbeeld van goed MCV-beleid. Çankaya onderzocht in 2012 proactieve controles binnen het korps Amsterdam-Amstelland. In een interview met de Politieacademie omschrijft hij de essentie van zijn onderzoek: ,,Wie worden er door agenten aangehouden en op basis van welke, al dan niet bewuste argumenten?”

Dit komt kortweg neer op het feit dat de politie zich richt op burgers met verdachte profielen, jongeren uit etnische minderheden. Na presentatie van het onderzoek van Çankaya stelde korpschef Aalbersberg in Het Parool: ,,Agenten worden erop getraind beter te selecteren op gedrag.” De politie-eenheid Oost Nederland zal dit later de ‘aanpak selectie mechanismen’ noemen, maar interne en externe documenten over die aanpak zijn niet voor handen. Er is geen beleid ten aanzien van MCV.

Uit zowel openbare als interne stukken lijkt het beleid in Amsterdam de afgelopen jaren te hebben bestaan uit enkele SDR-cursussen. De eenheid Amsterdam stuurt Buro J&J een Onderzoeksrapport Search Detect & React (SDR) uit november 2012 toe. SDR is gericht op het herkennen van ‘abnormaal gedrag dat leidt tot ongewenst gedrag’ en is bedoeld als ‘preventie van incidenten en delicten.’ Volgens het rapport hebben in 2012 62 functionarissen uit twee wijken van Amsterdam (gelegen in Amsterdam Zuidoost en Amsterdam West) aan de training deelgenomen.

In het rapport wordt ingegaan op de effectiviteit van de trainingen en wordt gesteld dat de cursus ook het ‘voorkomen van ethnic profiling zodat discriminatie wordt tegengegaan’ voor ogen had. Dit laatste gold vooral voor de chef van het wijkteam August Allebeplein die als reden voor het aanbieden van de training SDR ‘het vermoeden van het voorkomen van ethnic profiling binnen het team’ aangaf.

Uit het rapport: ‘De gewenste situatie waarin ethnic profiling minder voorkomt en de medewerkers van het wijkteam zich er meer bewust van zijn geworden is enigszins bereikt. Er is echter geen managementinformatie beschikbaar om dit te ondersteunen.’ Het effect van de gehele cursus wordt zelfs in twijfel getrokken: ‘Concrete bijdragen van de training SDR aan het voorkomen van crimineel gedrag of het verstoren van de openbare orde zijn niet bekend. Ook daarover is geen managementinformatie voorhanden.’ Na 2012 wordt er geen SDR training meer in Amsterdam gegeven.

In 2015 heeft Amsterdam ingezet op zogenoemde ambassadeurs. Chef van de eenheid Amsterdam, dhr. Aalbersberg, zegt in een interview met de lokale omroep AT-5 dat ,,de politie ‘ambassadeurs’ inzet bij verschillende wijkteams om agenten alerter te maken op etnisch profileren.” Het gaat om drie teams. Wat de effecten ten aanzien van discriminatie door de politie zijn van de ‘ambassadeurs’ is niet duidelijk. De eenheid Amsterdam heeft geen documenten vrij gegeven over de ‘ambassadeurs.’

Geen landelijke aanpak

Er bestaat dus geen landelijke aanpak voor de ontwikkeling van het MCV. Volgens de NP zou het beleid blijken uit de aanpak van de verschillende eenheden. Wie de aanpak, sturing en beleid van de Landelijke Eenheid en de eenheden Noord-Holland, Rotterdam en Amsterdam op een rijtje zet, vraagt zich af wat die landelijke aanpak dan is.

Het Rotterdamse korps heeft ruim vier jaar geleden al haar medewerkers op een tweedaagse training gestuurd en over het huidige beleid nu zijn geen documenten beschikbaar. Twee korpsen, de landelijke eenheid en de eenheid Noord-Holland, hebben überhaupt geen beleid en de Amsterdamse politie stuurt 62 leden van haar team op een training waarvan het nut en het effect onduidelijk zijn. Of wordt de landelijke aanpak verbeeld door de ambassadeurs die in 2015 in Amsterdam zijn geïntroduceerd. Het blijft gissen.

Het ontbreken van een landelijke aanpak ten aanzien van MCV roept de vraag op of het probleem van discriminatoir optreden van politiefunctionarissen door de leiding van de NP nu wel of niet serieus wordt genomen? De Politieacademie stelt van wel: ‘Het MCV-onderwijs is de afgelopen jaren geïntegreerd in alle basisopleidingen aan de Politieacademie.’

Het blijft echter de vraag wat die integratie dan precies inhoudt? In de stukken van de Politieacademie en de Landelijke Eenheid wordt deze integratie niet beschreven. Zoals in de LECD-evaluatie van Regioplan wordt gesuggereerd worden er in bepaalde regio’s wel initiatieven genomen. De regio’s worden daarbij echter niet gesteund door de landelijke leiding van de politie. NP: ‘MCV heeft de volle aandacht binnen de NP’ terwijl de Landelijke Eenheid helemaal geen beleid voert. Daarnaast is er geen enkel document dat erop wijst dat de politie beleid ontwikkelt ten aanzien van discriminatoir gedrag.

De stukken die door de andere eenheden openbaar zijn gemaakt, maken duidelijk dat alle regio’s hun eigen aanpak hebben. De eenheid Oost-Nederland stuurt bijvoorbeeld een overzicht van de trainingen MCV in de jaren 2012 t/m 2014. In totaal hebben daar vier functionarissen aan deelgenomen. Daarnaast is er een heel palet aan andere cursussen, waarvan onduidelijk is of die discriminatie als thema hebben. Het gaat dan onder andere om Dilemma/Morele Oordeelsvormingstrainingen, training diversiteit, NPG omgaan in multiculturele omgeving (NPG betekent waarschijnlijk Non-Politioneel Gedrag), waar in totaal ook slechts rond de dertig personen aan deel hebben genomen.

In een intern document Werken aan diversiteit, integriteit en omgangsvormen in Oost NL [09-12-13] wordt vermeld: ‘Ondertussen staat het onderwerp etnisch profileren ook nadrukkelijk op de maatschappelijke, politieke en ‘Politie-agenda’. In het document wordt een soort plan van aanpak geschetst: ‘Hierbij zou voor ons intern de nadruk moeten liggen op de analyse in OON (interne expertgroep eenheid Oost-Nederland). Deze vraag is neergelegd bij het VIK (Veiligheid, integriteit, klachten), om te kijken of er een analyse te maken is op klachten van burgers over ons optreden.’

Politie Oost-Nederland stelt dat er landelijk moet worden opgetrokken om ‘gezamenlijk oplossingen te bedenken om bewustwording, deskundigheid en vaardigheid bij de executieve collega’s te vergroten en/of te verstevigen.’ Opvallend is dat in het interne document van Oost-Nederland wordt verwezen naar de eenheid Amsterdam die ‘naar aanleiding van ervaring met en onderzoek naar etnisch profileren, een plan van aanpak selectie mechanismen heeft ontwikkeld.’ In de stukken die door het Amsterdamse eenheid openbaar zijn gemaakt wordt dit ‘plan van aanpak selectie mechanismen’ niet genoemd.

Zomaar wat diversiteit

De eenheid Oost-Nederland verwijst naar de niet bestaande landelijke aanpak en de aanpak van de eenheid Amsterdam die SDR-training heeft toegepast om, zonder succes, discriminatoir optreden van agenten te bestrijden. Bij de eenheid Zeeland West-Brabant, zijn ook SDR cursussen gegeven, maar of die gericht waren op het tegengaan van etnisch profileren wordt niet vermeld.

In totaal werden in Zeeland West-Brabant elf trainingen/cursussen MCV gegeven en een aantal SDR opleidingen via de Politieacademie. Het aantal deelnemers hieraan is onbekend. De trainingen zijn gegeven door: of het LECD, of een onbekend bedrijf (naam niet vrijgegeven) of een opleidingsadviseur politie ZWB (Zeeland West-Brabant). De nadruk zou hebben gelegen op MCV, maar de inhoud van de trainingen is niet openbaar gemaakt.

Eenheid Noord-Nederland (Friesland, Groningen en Drenthe) heeft in 2012 en 2013 in totaal 19 functionarissen op cursus gestuurd: een kandidaat voor de opleiding Basis Interculturele Communicatie aan de Politieacademie en 18 personen voor de opleiding MCV die werden afgenomen bij een onbekende instantie. Verder komen uit de WOB-stukken geen documenten naar voren die duiden op een beleid in Noord-Nederland ten aanzien van MCV, diversiteit of andere thema’s met betrekking tot discriminatoir optreden.

Bij de eenheid Oost-Brabant hebben in 2010/2011 vijftien functionarissen een cursus MCV gevolgd, in 2012 twee personen een cursus omgaan in een multiculturele omgeving en in 2014 tien personen de opleiding expertgroep MCV. Ook de naam van het externe bureau dat Oost-Brabant inhuurt is niet openbaar gemaakt. Volgens een concept document netwerk leefstijlen & culturen zou de ‘opleiding Vakmanschap voornamelijk het thema multiculturele diversiteit beslaan.’ De inhoud van de cursus is niet openbaar gemaakt.

Netwerk leefstijlen & culturen

Eenheid Oost-Brabant zet als enige in op netwerk leefstijlen & culturen (NLC). Het document NLC beschrijft verder de missie en het werk van een groep politiefunctionarissen die het NLC vormen. De groep voegt als het ware een cultureel element toe aan de inlichtingen en de opsporing en openbare orde taken.

Zij schrijven de laatste jaren steeds vaker te worden ingezet, zowel voor advies als directe interventies. Het gaat daarbij om zaken als ‘een schietpartij in Deurne, de doodslag van een Turkse snackbar eigenaar, voorlichting aan familierechercheurs bij zaken waarbij slachtoffers uit andere cultuur komen, een minderjarige Marokkaans meisje uit Marokko terug laten komen, spoedinterventie om te voorkomen dat minderjarige in Afghanistan werd uitgehuwelijkt.’

Volgens het document lag het startpunt van het NLC in 2010/2011. De opstellers van het document omschrijven de hoofdthema’s van het NLC als ‘Eer Gerelateerd Geweld, (Multicultureel) Politie Vakmanschap, Gelijkwaardigheid (voorheen Discriminatie) en Diversiteit.’ In het document wordt niets vermeld over de aanpak van discriminatie door de politie zelf.

Wel wordt gesproken over discriminatie als een van de werkterreinen van het NLC-team, maar de vraag is wat de politie bedoelt met: ‘de verkenning rondom discriminatie heeft opgeleverd dat de extra aandacht voor dit thema, die in de operatie nodig is om zowel de sensitiviteit als het vakmanschap bij de collega’s te bevorderen, veel overeenkomsten heeft met de wijze waarop door het NLC zaken worden opgepakt.’ Betreft het hier discriminatoir optreden van agenten of burgers? Ook de omschrijving van het ‘(Multicultureel) Politie Vakmanschap’ is onduidelijk: ‘Dit omvat alle vraagstukken die te maken hebben met of gerelateerd zijn aan cultuur en leefstijlen in de eigen organisatie en de samenleving.’

De documenten wekken de indruk dat het NLC-team van de eenheid Oost-Brabant verantwoordelijk is voor allerlei aspecten ten aanzien van cultuur, leefstijlen, diversiteit en discriminatie. Niet alleen met betrekking tot opsporingsonderzoeken, maar ook tot de interne politieorganisatie. Het is vreemd om een gespecialiseerd rechercheteam, zoals het NLC dat opsporingsonderzoeken ondersteunt, verantwoordelijk te maken voor de bestrijding van discriminatie of de diversiteit binnen het gehele korps. Dit is vooral vreemd aangezien er geen visie en sturing is bij zowel de leiding van de eenheid Oost-Brabant als de NP.

De eenheid Limburg heeft geen NLC-team en wordt de term ‘netwerk leefstijlen & culturen’ niet gebruikt. Bij deze eenheid is een wijkagent actief die eenzelfde takenpakket heeft als het NLC-team van Oost-Brabant en die een overzicht openbaar heeft gemaakt van zijn werk op het ‘culturele’ vlak. De eenheid Limburg heeft echter weer een andere benadering waarbij specifieke trainingen en/of cursussen geen rol spelen. Ook deze eenheid heeft geen centrale leiding ten aanzien van diversiteit of bestrijding van discriminatoir optreden van de politie.

Verschillende functionarissen bij de eenheid Limburg hebben informatie doorgegeven in antwoord op het WOB-verzoek. Een juridisch beleidsmedewerker schrijft in een email dat in 2010 300 medewerkers ‘een ‘Binnenste Buiten’-dag waarin MCV was geïntegreerd’ hebben bezocht. Wat dat inhoudt wordt niet duidelijk uit de stukken. In 2012 en 2013 bezochten 150 en 200 functionarissen een vrouwen-netwerkdag.

Een wijkagent uit Venlo geeft een overzicht van zijn activiteiten die uiteenlopen van een ‘cursus cultuur in het Midden-Oosten’ tot een ‘Landelijke Bijeenkomst Expertgroepen MCV’. Maar ook een ‘cursus eer gerelateerd geweld’, een bezoek aan een Turkse moskee, deelname aan de Gay Pride, een Roemenië lezing, een bijeenkomst met als thema radicalisering en allerlei andere bijeenkomsten, presentaties en cursussen. Wat de werkzaamheden van deze wijkagent zeggen over de mate van discriminatoir optreden van het Limburgse korps, de eventuele onderkenning van het probleem en de aanpak staat niet in de documenten.

Eenheid Midden-Nederland

Het beeld van de multiculturele wijkagent die probeert de diversiteitsdimensie binnen eenheid Limburg te integreren, is misschien gechargeerd, maar wordt wel opgeroepen na inzage van de verkregen WOB-documenten. Een enkele politie-eenheid geeft de indruk dat zij het belang van trainingen onderschrijven en een poging doen beleid te ontwikkelen.

Een jurist van de eenheid Midden-Nederland komt in de Wob aan het woord: ‘Zoals we gisteren telefonisch hebben afgesproken, tref je hierbij — een op een de bestanden aan die voornamelijk vergaard zijn door (naam weggelakt) die nog steeds voor MNL (Midden Nederland) druk is met MCV onder de aandacht van collega’s te houden. Ook zit hij in een landelijke werkgroep etnic profiling.’ De persoon die wordt beschreven is de portefeuillehouder diversiteit. Of zijn werkzaamheden ook betrekking hebben op discriminatoir optreden van de politie valt niet te herleiden uit de documenten. De functionaris neemt wel deel aan de landelijke werkgroep etnic profiling, maar van die werkgroep zijn geen stukken openbaar gemaakt.

De reactie van Midden-Nederland op het WOB-verzoek is redelijk openhartig. Een beschikbaar gestelde email van 19 juni 2015 maakt duidelijk dat er allerlei stukken van Midden-Nederland aan de NP zijn gestuurd. Het betreft weliswaar afkortingen, maar ze geven een indruk van de verzameling: ‘Pol Utrecht VPdec12 Progr.pdf; Toelichting training Vakmanschap.pdf; Aanpak Politie Training mentale veiligheid, werkcultuur’ JK.pdf; RAPT sept 2011 – juli 2012 verslag voor JK.pdf; voorstel Vreemdelingen Politie Utrecht.pdf; Opdracht Miriam.pdf; Wob-verzoek (trainingen) multicultureel vakmanschap.xls; Matrix doelgroepen acties mei 14.xls.’

In de mail zelf beschrijft de functionaris de bijlagen: ‘Verder tref je een exceloverzicht aan van voormalig korps FVL (Flevoland) aangaande gegeven trainingen, met daarbij de opmerking dat dit niet het complete beeld van begeleiding/training MCV is. Er was bijv. een collega die voor zowel FVL (Flevoland) als GNV (Gooi en Vechtstreek) gemotiveerd binnen deze korpsen dit onderwerp her en der in de districten onder de aandacht heeft gebracht. Zij is hiervoor speciaal ingezet (inhuur via gemeente Almere heb ik begrepen) met het doel de (executieve) politiemedewerkers bewustwording bij te brengen waar het gaat over ‘anders zijn’ en ‘leren over opvoeding — gebruiken en denkwijzen binnen andere culturen’, alsook omgaan met probleemgroepen etc. De bijgevoegde matrix geeft weer wat zij hierin gedaan heeft ofwel welke projecten daarbij zijn uitgevoerd.’

De WOB-bijdrage van eenheid Midden-Nederland is een verademing in vergelijking met andere eenheden en vooral de NP. Het feit dat de NP vervolgens een groot deel van de stukken niet openbaar maakt, zegt iets over de mate van transparantie en openheid bij die dienst. De jurist van Midden-Nederland schrijft aan de Landelijke Eenheid: ‘Verder tref je het verslag aan van een onderzoek naar MCV binnen onze eenheid. Het onderzoek werd in opdracht van (naam zwart gemaakt) uitgevoerd (zie ook bijlage).’ Tussen de stukken bevindt zich enkel de opdracht, het verslag ontbreekt, want niet openbaar gemaakt door de NP.

Trainingen

Midden-Nederland lijkt daadwerkelijk werk te maken van MCV, maar of dit ook beleid inhoudt om discriminatoir optreden van de politie zelf aan te pakken staat niet in de stukken. Wel investeert de eenheid in allerlei trainingen en geeft duidelijk aan dat de leiding van Midden-Nederland het thema hoog op de agenda heeft staan: ‘Vanuit deze gedachte zetten we in op het meenemen van collega’s op de werkvloer en hun leidinggevenden in het ontwikkelen van MCV bij hun zelf. Het gaat om bewustwording en het leren reflecteren op je eigen handelen en houding.’

Bij de trainingen zelf lijkt het in eerste instantie dat eenheid Midden-Nederland niet veel verschilt van de overige tien eenheden. Toch valt de mix van medewerkers op de werkvloer, leidinggevenden, medewerkers van personeelszaken en specifiek de vreemdelingenpolitie op. Een impressie van de trainingen in de regio: ‘Trainingen op het gebied MCV over de periode 2012-2014. Wijkagenten en Noodhulp district 1 dag 20 deelnemers. Trainingsdag (open aanbod zie factuur) 20 deelnemers. 12 en 13 maart 2013 twee trainingsdagen Vreemdelingenpolitie ca. 45 deelnemers. T.b.v. RAPT (Regionale Arrestantenzorg Parketpolitie en Transport) zijn er verschillende trajecten zowel voor de leidinggevenden als voor de medewerkers gegeven. Ook zijn er voor P&O — medewerkers en leidinggevenden — verschillende trajecten georganiseerd. Bij de Vreemdelingenpolitie heeft een traject gelopen voor leidinggevenden.’

Hoewel de trainingen niet direct gericht zijn op discriminatoir optreden van de politie gaat de eenheid het onderwerp niet uit de weg gaat: ‘Deze voortdurende ontwikkelslag werd/wordt door collega’s onderkend en zij zijn zich ervan bewust dat deze kennis en vaardigheden hen gaat helpen bij het aanpakken van allerlei dilemma’s. Onder het thema MCV vallen ook de termen zoals meervoudig kijken, vooroordelen, etc.’

Het antwoord van de eenheid Midden-Nederland concretiseert de opmerking uit de evaluatie van het LECD over de regio’s. Daarin wordt vermeld dat de resultaten van het LECD niet te meten zijn en dat dit mede komt doordat ‘vanuit de voormalige regiokorpsen zelf ontwikkelingen op dit vlak in gang zijn gezet.’ Of de regionale aanpak van eenheid Midden-Nederland wel effect sorteert, is niet duidelijk. De regio is echter veel serieuzer in haar benadering dan het LECD en de NP.

Zelfs over de integratie van MCV-onderwijs in alle basisopleidingen is Midden-Nederland duidelijk. De Politieacademie is vaag wat die integratie nu inhoudt: ‘Het MCV onderwijs de afgelopen jaren is geïntegreerd in alle basisopleidingen aan de Politieacademie.’ Midden-Nederland: ‘Vanaf 2012 tot heden hebben alle instromende studenten van het initieel onderwijs, in de beginfase van hun studie op het moment dat ze in het korps zijn, een bewustwordingsdag waarin onder andere het thema etnic profiling aan de orde komt.’ Of dit integratie binnen de opleiding is en voldoende om discriminatoir optreden van agenten tegen te gaan, wordt in de verkregen stukken niet vermeld.

Eenheid Den Haag

Op het WOB-verzoek wordt door de eenheid Den Haag uitgebreid gereageerd, met maar liefst 57 pagina’s. De volgende documenten werden openbaar gemaakt: Het document Diversiteit politie Hollands Midden uit 2010, een ongedateerd manifest diversiteit politie Den Haag, een plan van aanpak multicultureel vakmanschap uit 2009, passages uit diverse jaarverslagen en een overzicht van de trainingen.

Men zou veel visie en duidelijkheid over de aanpak verwachten, helemaal omdat Den Haag sinds 2013 nogal onder vuur is komen te liggen vanwege aanhoudende berichtgeving over discriminatoir optreden en buiten-proportioneel geweld van de Haagse politie. Dit blijkt echter niet het geval. Het document ‘Diversiteit Politie Holland Midden’ begint weliswaar met artikel 1 van de Nederlandse Grondwet (iedereen is gelijk) maar spreekt vervolgens met geen woord over discriminatoir handelen van agenten.

In de overige documenten komt het onderwerp discriminatie ook niet aan bod. Discriminatoir optreden van de Haagse politie komt alleen ter sprake in het jaarverslag uit 2014. De korpsleiding: ‘mede naar aanleiding van de diverse demonstraties er beschuldigingen werden geuit richting de politie van discriminatie, geweldmisbruik en etnisch profileren.’

De korpsleiding wijst er echter op dat onderzoekers de politie vrij pleiten: ‘Onderzoekers van de Universiteit Leiden concludeerden echter dat geen sprake is van structureel etnisch profileren door de politie in Den Haag. Ook bracht de Nationale Ombudsman in een rapport (Contrasterende Beelden) naar buiten dat er geen aanwijzingen zijn voor structurele misstanden bij de politie.’

Toch zou de externe kritiek volgens het jaarverslag wel tot ‘een goede discussie [hebben] geleid over vooroordelen, stereotyperingen, multicultureel vakmanschap en verbinding.’ Welke discussie dit is geweest en wat dit voor gevolgen heeft gehad, wordt niet duidelijk uit het jaarverslag en de andere openbaar gemaakte stukken.

Ook het grote scala aan cursussen en trainingen schept geen duidelijkheid aangaande het anti-discriminatie beleid van Den Haag. De eenheid heeft vooral geïnvesteerd in een tweedaagse LHBT-training voor vertrouwenspersonen, Roze in Blauw-leden en taakaccenthouders waaraan in totaal 80 medewerkers hebben deelgenomen, vooral mensen die al betrokken zijn bij het thema.

Daarnaast is er voor 40 wijkagenten een cursus over Marokkaanse cultuur en religie georganiseerd. En een cursus ‘Teambalans’ voor twee districtsrechercheteams, een methode om ‘teams de mogelijkheid te bieden om op een aansprekende wijze met elkaar het gesprek te voeren over de kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling’. Het aantal deelnemers aan de cursus wordt niet vermeld.

Tevens vond er een cursus bejegeningsprofielen voor de bureaus Gouda en Beresteinlaan plaats. De bijlagen betreffende de bejegeningsprofielen zijn niet openbaar gemaakt. Verder een cursus ‘hoe de straat de school binnendringt’ voor sectorhoofden en teamchefs van drie bureaus. En tot slot ‘generatiemanagement, opsporing met levensfasebewust werken’ voor alle medewerkers Bureau Forensische Opsporing. Wat generatiemanagement nog met discriminatie en/of multicultureel vakmanschap te maken heeft, blijkt niet uit de stukken.

Interne diversiteitsvaagheid

De documenten van de verschillende eenheden laten zien dat er geen landelijke aanpak ten aanzien van MCV is, dat de eenheden allemaal zo hun eigen aanpak hebben, dat het onduidelijk is of de activiteiten die eenheden onder de MCV noemer organiseren ook iets met politiediscriminatie te maken hebben en dat het aantal cursussen en trainingen zeker de laatste twee jaar zeer beperkt is geweest.

Nu zeggen aantallen deelnemers en onduidelijke trainingen natuurlijk niet alles over een eventuele cultuuromslag en de mate waarin binnen de politieleiding aandacht wordt gegeven aan activiteiten om discriminatoir politieoptreden tegen te gaan. De vraag is echter of de constatering van het Sociaal Cultureel Planbureau dat de meeste migrantenjongeren wantrouwig staan tegenover de politie dan helemaal op zichzelf staat? Is die ervaren discriminatie dan geen aanwijzing voor het bestaan van een politiecultuur waarin discriminatie al dan niet structureel plaatsvindt?

Multicultureel vakmanschap werd in 2006 gepresenteerd als zijnde ‘professionaliteit van politiemedewerkers om om te gaan met de vele culturen en leefstijlen in de politieorganisatie en in de samenleving’. Oftewel, het functioneren van politiefunctionarissen dat niet is gebaseerd op vooroordelen, zowel binnen als buiten de politieorganisatie. Wanneer er geen duidelijk beleid is over het MCV-beleid ten aanzien van discriminatie van burgers door de politie, is het de vraag of dit dan ook geldt voor het MCV-beleid ten aanzien van discriminatie binnen de politieorganisatie.

Het WOB-verzoek van Buro Jansen & Janssen had betrekking op alle documenten met betrekking tot multicultureel vakmanschap, meervoudig kijken, het herkennen van en omgaan met vooroordelen, SDR (search, detect, react), ontwikkeling van de drie grondhoudingen bij functionarissen van politie Nederland. De meeste eenheden, waaronder de Landelijke Eenheid, verstrekten geen documenten waarin wordt ingegaan op interne discriminatie.

Zoals uit de beschrijving van de documenten hierboven blijkt, komt interne discriminatie en diversiteit slechts een enkele keer aan bod. Het NLC-team van Oost-Brabant heeft diversiteit en interne discriminatie in zijn pakket, maar geeft niet aan op welke wijze zij met deze onderwerpen aan de slag is gegaan. Rotterdam schrijft in een intern discussie-document over discriminatie op grond van ras, religie en seksualiteit en vermeldt expliciet discriminatie van allochtone, islamitische en homoseksuele collega’s. Het document maakt echter niet duidelijk wat hier door de eenheid aan wordt gedaan.

De eenheid Den Haag is de enige die een aantal documenten openbaar maakt waarin interne discriminatie aan bod komt. De documenten maken duidelijk dat interne discriminatie en diversiteit nauw met elkaar verweven zijn. Veel politiefunctionarissen van niet-Nederlandse afkomst verlaten de politie vroegtijdig, vooral vanwege interne discriminatie, terwijl zij wel gemotiveerd zijn en over voldoende capaciteiten beschikken om het politiewerk uit te kunnen voeren.

Den Haag geeft aan dat er allerlei doelen zijn gesteld, zoals ‘meer vrouwen op hogere posities’, dat er gewerkt moet worden aan het ‘vergroten en het behouden van het aandeel allochtone politiemedewerkers’ en ‘het binnenhalen en begeleiden van andersvaliden’. (Diversiteit Politie Hollands Midden 2010). De eenheid verwijst in hetzelfde document naar project de Schakel, waarmee geprobeerd wordt agenten van niet Nederlandse afkomst voor de politie te behouden. Aanleiding voor het project was dat ‘er weliswaar allochtonen binnen komen, maar dat die aan de andere kant net zo snel weer uitstromen.’

Een verklaring voor die uitstroom is te lezen in het hoofdstuk ‘interne diversiteit’ onder het kopje ‘multiculturele dilemma’s’ uit het document Diversiteit Politie Hollands Midden 2010: ‘Denk aan een vrouwelijke FTO rechercheur die bij een moskee komt voor sporenonderzoek en tegen een barrière oploopt. Of, er is binnen de teams sprake van onderlinge spanningen door verschillen van inzicht of dubbelzinnig getinte grappen.’

In de paragraaf ‘veiligheidsthema’s vertaald naar diversiteit’ komt de uitstroom op een andere manier terug: ‘Hierbij ligt een link naar organisatiecultuur, stijl van leidinggeven, het managen van diversiteit en de aanpak van ongewenst gedrag. Diversiteitsbeleid legt ook de aandacht op: het wegnemen van blokkades voor collega’s met een beperking of handicap of belemmeringen die collega’s ervaren die willen doorstromen naar leidinggevende posities of specialistische functies. Ook signalen van pestgedrag jegens (hoogopgeleide) nieuwkomers, werkstudenten of collega’s vanwege hun seksuele voorkeur, vragen om directe acties van het management.’

Project Schakel beoogde volgens het document Diversiteit Politie Hollands Midden 2010 om ’20 allochtonen binnen 2 jaar binnen te halen en wat nog veel belangrijker is, binnen te houden.’ Volgens het document is het project geslaagd. Een ander intern document, Korpsvisie Politie Den Haag 2008 – 2011 (plan van aanpak Multicultureel Vakmanschap 2008 – 2011), zet daar echter vraagtekens bij: ‘Ondanks de inspanningen van de afgelopen jaren de Nederlandse politieorganisatie er op dit moment nog niet aan toe om diversiteitsbeleid dat gericht is op de ‘bekende’ doelgroepen los te laten.’

Volgens dit document zou dit betrekking hebben op de gehele politie, dus niet alleen Den Haag. Volgens het plan van aanpak zijn ‘er ook binnen regio Den Haag weliswaar een aantal belangrijke slagen gemaakt maar moet een aantal doelstellingen op dit vlak nog worden gerealiseerd.’ Om welke slagen en welke doelstellingen het hier gaat, wordt niet vermeld. Wel wordt duidelijk dat er onderzoek is gedaan naar het vertrek van goede functionarissen: ‘Onderzoek heeft uitgewezen dat dit niet aan hun capaciteiten of motivatie ligt […] Soms gaat het om discriminatie onder collega’s of niet geaccepteerd worden door ondergeschikten.’

MCV heeft niet alleen betrekking op extern professioneel functioneren van agenten, maar ook binnen de politieorganisatie. De politie heeft in antwoord op het WOB-verzoek weinig documenten openbaar gemaakt die betrekking hebben op de professionaliteit binnen de eigen organisatie. Deze documenten suggereren dat het plaatsvinden van discriminatie binnen de eenheden wellicht soms wordt gesignaleerd, maar dat geen beleid wordt gemaakt om interne discriminatie tegen te gaan, en dat niet tot nauwelijks tegen interne discriminatie wordt opgetreden.

Conclusie

Het beleid ten aanzien van Multicultureel Vakmanschap (MCV) bij de politie heeft gefaald. Het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit (LECD) werd in 2001 opgericht en was van 2007 tot eind 2014 verantwoordelijk voor beleid en trainingen ten aanzien van MCV. De activiteiten van het LECD hebben weinig tot niets opgeleverd. De activiteiten van het LECD is niet geïmplementeerd binnen de NP. De politieagenten die werden bereikt door het LECD waren al geïnteresseerd in onderwerpen zoals discriminatie en diversiteit.

Het effect van de activiteiten is onduidelijk omdat deze niet zijn gemeten en tevens omdat regionaal er al allerlei activiteiten in gang waren gezet. De verkregen WOB-stukken schetsen een beeld van eenheden die allerlei verschillende activiteiten uitvoeren, een ratjetoe. Verschillende eenheden lijken allemaal maar wat te doen. Iedere eenheid heeft zijn eigen insteek, sommige eenheden doen niets en anderen doen wel wat, een lijn valt er niet in te ontdekken.

Landelijk is er geen beleid en na het opheffen van het LECD ook geen centrale sturing en ondersteuning van cursussen, trainingen en mensen die proberen diversiteit en discriminatoir optreden op de agenda te zetten. Door verschillen in aanpak van Friesland tot Zeeland en van Noord-Holland tot Limburg blijft de aanpak van de politie versnipperd.

Het gebrek aan beleid ten aanzien van discriminatoir optreden van de politie en MCV laat echter zien dat een landelijke aanpak ontbreekt, maar dat er ook geen wil is om deze te formuleren. De eenheden lijken ieder hun eigen weg te gaan en zelf ook geen beleid te ontwikkelen. Dat levert een beeld van vrijblijvendheid en willekeur op. Het kan leiden tot initiatieven zoals bij de eenheid Rotterdam of Midden-Nederland, maar ook tot niets zoals bij de eenheid Noord-Holland het geval is, of onduidelijkheid over wat er nu gebeurt bij de eenheid Amsterdam.

De inspectie Openbare Orde en Veiligheid (inspectie OOV) concludeerde al in 2009 dat het begrip MCV op veel manieren wordt uitgelegd, dat de implementatie van MCV binnen de politie niet gestructureerd wordt aangepakt, opleidingen zeer beperkt plaatsvinden en dat cursussen op zichzelf staan. Het merendeel van de door de Inspectie geïnterviewde politiefunctionarissen hadden geen cursus of opleiding over gedrag of omgangsvormen gevolgd. Volgens veel respondenten had MCV betrekking op de inzet van allochtone agenten in bepaalde wijken.

Inspectie OOV stelde dat voor ontwikkeling van MCV een goede opleiding en training onontbeerlijk zijn en adviseerde vrijblijvend dat de afzonderlijke korpsen dit samen met het LECD en de Politieacademie zouden uitwerken. Het inspectierapport van 2009 werd afgerond op het moment dat de politie nog onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties viel.

Het LECD kreeg in 2010, naast diversiteit, expliciet de verantwoordelijkheid voor het MCV-beleid en de bestrijding van politiediscriminatie. In 2012 werd de Nationale Politie opgericht. Regioplan Beleidsonderzoek stelt in de LECD-evaluatie van 2014 dat de LECD-activiteiten, dus ook het MCV-beleid en bestrijding van politiediscriminatie, zijn geborgd binnen de Nationale Politie. De minister van Veiligheid en Justitie onderschreef deze conclusie.

Er is sinds het rapport van de Inspectie OOV 2009 niets veranderd. Van borging van LECD-activiteiten, waaronder MCV en het tegengaan van politiediscriminatie, is niets terecht gekomen. Er is geen landelijk beleid en sturing ten aanzien van MCV, bestrijding van discriminatoir politieoptreden. De afzonderlijke regio’s doen verschillende dingen. Trainingen en cursussen gaan niet alleen over MCV maar waaieren uit over allerlei andere thema’s, zoals eer gerelateerd geweld (EGG), Netwerken, leefstijlen & cultuur (NLC) of het zogenoemde spotten of SDR (search, detect, react).

Er is geen inzicht in het aantal trainingen en aantal deelnemers. Verschillende bedrijven worden ingehuurd en er ontbreekt overzicht en inhoud van de aangeboden cursussen. Tevens worden de effecten van die trainingen niet gemeten. Er is geen gezamenlijk beeld van wat MCV is, hetgeen de Inspectie OOV in 2009 reeds constateerde. Conclusie: er is geen landelijk beleid. MCV en het tegengaan van politiediscriminatie hebben kennelijk geen prioriteit bij de politietop.

Barbaars

Het mislukken van het beleid van het tegengaan van discriminatoir optreden van de politie kan worden begrepen door te kijken naar de interne discriminatie en daaraan gekoppelde diversiteit binnen de politiediensten. Interne discriminatie bij de politie was en is een probleem. Het voortduren van interne discriminatie is illustratief voor het failliet van het MCV-beleid, want dat gaat niet alleen over professioneel functioneren van politieagenten binnen de samenleving, maar ook over professionaliteit binnen de politieorganisatie.

Het gebrek aan leiding en prioriteit bij zowel de politietop als op het ministerie van Veiligheid en Justitie ten aanzien van de thema’s wordt duidelijk uit de interne beleidsreactie van het ministerie van Veiligheid en Justitie over het einde van het LECD. Ambtenaren stellen in deze notitie dat ‘De Kamer en media groot belang hechten aan diversiteit van het politiepersoneel en aan de aanpak van discriminatie.’ De voormalige minister van Veiligheid en Justitie, Opstelten, zou nog even opmerken dat hij ‘als korpschef de aandacht heeft voor de thema’s diversiteit en discriminatie’. Vraag is of de minister echt aandacht heeft gehad voor deze thema’s en daarmee MCV, of dat de opmerking enkel voor de bühne was. Je zou dit laatste wel verwachten, want met de invoering van de NP is de minister de korpsbeheerder.

Dat de voormalige minister weinig feeling met de thema’s heeft, blijkt uit de benoeming van de portefeuillehouder Gelijkwaardigheid & MCV van de NP, Paul van Musscher, tevens politiechef van de eenheid Den Haag. Van Musscher kwam in de zomer van 2014 in het nieuws door nogal controversiële uitspraken. Op de lokale tv-zender Omroep West zegt Van Musscher in een eerder in 2010 opgenomen interview dat hij van een ‘deskundige’ heeft vernomen ,,dat de inwoners uit Gouda uit het Rif gebergte komen. Dat zijn Berbers. Berber komt van het woord Barbaar. En dat is inderdaad cultureel ingebakken dat ze wat wilder zijn. Wat makkelijker op straat leven. Wat ruiger. Je zou kunnen zeggen dat het genetisch meegekomen is.”

Voor iemand die vier jaar later tot portefeuillehouder Gelijkwaardigheid & MCV van de NP werd benoemd, zijn dit op zijn minst twijfelachtige opmerkingen die discriminatie binnen de politie zeker niet tegengaan en discriminatoir optreden binnen en buiten de politie voor sommigen mogelijkerwijs legitimeren.

Natuurlijk kan Van Musscher zich verschuilen achter de niet nader genoemde ‘deskundige’ (Van Musscher heeft die nooit vrijgegeven), maar het feit dat een leidinggevende van de politie Marokkaanse Nederlanders wegzet als cultureel anders, zelfs barbaars, en ook nog eens genetisch afwijkend, waardoor er bijna een legitimatie is voor het profileren van Marokkaanse Nederlanders, roept de vraag op of de politietop geschikt is om discriminatoir optreden van haar personeel zelf aan te pakken. De vraag is dan ook of het ooit nog wat gaat worden met het beleid van het tegengaan van discriminatoir optreden van de politie.

Het artikel op de website van Buro Jansen & Janssen

En het artikel als pdf

Observant 68, 25 april 2016, Buro Jansen & Janssen

May 312016
 

Het beleid ten aanzien van Multicultureel Vakmanschap bij de politie heeft gefaald. Dit blijkt uit openbaar gemaakte documenten. Daarnaast stelde het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit, van 2007 tot eind 2014 verantwoordelijk voor beleid en trainingen om interne en externe discriminatie tegen te gaan, weinig tot niets voor.

Het beleid ten aanzien van Multicultureel Vakmanschap (MCV) bij de politie heeft gefaald. Het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit (LECD) werd in 2001 opgericht en was van 2007 tot eind 2014 verantwoordelijk voor beleid en trainingen ten aanzien van MCV. De activiteiten van het LECD hebben weinig tot niets opgeleverd. De activiteiten van het LECD is niet geïmplementeerd binnen de NP. De politieagenten die werden bereikt door het LECD waren al geïnteresseerd in onderwerpen zoals discriminatie en diversiteit.

Het effect van de activiteiten is onduidelijk omdat deze niet zijn gemeten en tevens omdat regionaal er al allerlei activiteiten in gang waren gezet. De door Buro Jansen & Janssen verkregen WOB-stukken schetsen een beeld van eenheden die allerlei verschillende activiteiten uitvoeren, een ratjetoe. Verschillende eenheden lijken allemaal maar wat te doen. Iedere eenheid heeft zijn eigen insteek, sommige eenheden doen niets en anderen doen wel wat, een lijn valt er niet in te ontdekken.

Landelijk is er geen beleid en na het opheffen van het LECD ook geen centrale sturing en ondersteuning van cursussen, trainingen en mensen die proberen diversiteit en discriminatoir optreden op de agenda te zetten. Door verschillen in aanpak van Friesland tot Zeeland en van Noord-Holland tot Limburg blijft de aanpak van de politie versnipperd.

Het gebrek aan beleid ten aanzien van discriminatoir optreden van de politie en MCV laat echter zien dat een landelijke aanpak ontbreekt, maar dat er ook geen wil is om deze te formuleren. De eenheden lijken ieder hun eigen weg te gaan en zelf ook geen beleid te ontwikkelen. Dat levert een beeld van vrijblijvendheid en willekeur op. Het kan leiden tot initiatieven zoals bij de eenheid Rotterdam of Midden-Nederland, maar ook tot niets zoals bij de eenheid Noord-Holland het geval is, of onduidelijkheid over wat er nu gebeurt bij de eenheid Amsterdam.

De inspectie Openbare Orde en Veiligheid (inspectie OOV) concludeerde al in 2009 dat het begrip MCV op veel manieren wordt uitgelegd, dat de implementatie van MCV binnen de politie niet gestructureerd wordt aangepakt, opleidingen zeer beperkt plaatsvinden en dat cursussen op zichzelf staan. Het merendeel van de door de Inspectie geïnterviewde politiefunctionarissen hadden geen cursus of opleiding over gedrag of omgangsvormen gevolgd. Volgens veel respondenten had MCV betrekking op de inzet van allochtone agenten in bepaalde wijken.

Inspectie OOV stelde dat voor ontwikkeling van MCV een goede opleiding en training onontbeerlijk zijn en adviseerde vrijblijvend dat de afzonderlijke korpsen dit samen met het LECD en de Politieacademie zouden uitwerken. Het inspectierapport van 2009 werd afgerond op het moment dat de politie nog onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties viel.

Het LECD kreeg in 2010, naast diversiteit, expliciet de verantwoordelijkheid voor het MCV-beleid en de bestrijding van politiediscriminatie. In 2012 werd de Nationale Politie opgericht. Regioplan Beleidsonderzoek stelt in de LECD-evaluatie van 2014 dat de LECD-activiteiten, dus ook het MCV-beleid en bestrijding van politiediscriminatie, zijn geborgd binnen de Nationale Politie. De minister van Veiligheid en Justitie onderschreef deze conclusie.

Er is sinds het rapport van de Inspectie OOV 2009 niets veranderd. Van borging van LECD-activiteiten, waaronder MCV en het tegengaan van politiediscriminatie, is niets terecht gekomen. Er is geen landelijk beleid en sturing ten aanzien van MCV, bestrijding van discriminatoir politieoptreden. De afzonderlijke regio’s doen verschillende dingen. Trainingen en cursussen gaan niet alleen over MCV maar waaieren uit over allerlei andere thema’s, zoals eer gerelateerd geweld (EGG), Netwerken, leefstijlen & cultuur (NLC) of het zogenoemde spotten of SDR (search, detect, react).

Er is geen inzicht in het aantal trainingen en aantal deelnemers. Verschillende bedrijven worden ingehuurd en er ontbreekt overzicht en inhoud van de aangeboden cursussen. Tevens worden de effecten van die trainingen niet gemeten. Er is geen gezamenlijk beeld van wat MCV is, hetgeen de Inspectie OOV in 2009 reeds constateerde. Conclusie: er is geen landelijk beleid. MCV en het tegengaan van politiediscriminatie hebben kennelijk geen prioriteit bij de politietop.

Het artikel op de website van Buro Jansen & Janssen

En het artikel als pdf

Observant 68, 25 april 2016, Buro Jansen & Janssen

May 192016
 

Het onderkennen en benoemen van discriminatie ligt gevoelig in Nederland, zeker in relatie tot de politie. Deze gevoeligheid laat ook de wetenschap niet onberoerd. Dit werd de afgelopen jaren zichtbaar tijdens de positionering van de Universiteit van Leiden in het debat over etnisch profileren in Nederland.

Etnisch profileren was lange tijd een non-issue in Nederland maar kwam eind 2013 nadrukkelijk in de politieke en publieke belangstelling te staan. Dit naar aanleiding van een rapport van Amnesty International en voortdurende berichtgeving over discriminatie en geweld door de politie in Den Haag. Er bestaan verschillende definities van etnisch profileren maar in het algemeen wordt eronder verstaan: wanneer de politie iemand staande houdt of controleert, (mede) vanwege zijn etnische achtergrond, zonder dat hier een objectieve rechtvaardiging voor bestaat.

In de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad werd om een wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren gevraagd om meer inzicht te verkrijgen in het plaatsvinden ervan. De Universiteit van Leiden (UvL) kwam hierbij al snel in beeld en publiceerde in juni 2014 een rapport. (Etnisch profileren in Den Haag? Een verkennend onderzoek naar opvattingen en beslissingen op straat)

In dit artikel wordt ingegaan op de rol van de UvL in het debat over etnisch profileren. Met name die van professor Joanne van der Leun en assistent-professor Maartje van der Woude die beide werkzaam zijn aan het Instituut Voor Strafrecht & Criminologie op Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de UvL.

Deze wetenschappers hebben in het recente verleden gepleit voor meer aandacht voor het plaatsvinden van etnisch profileren door de overheid, politie en wetenschap. Zij waren van mening dat de wetenschap het (mogelijk) plaatsvinden van etnisch profileren serieus diende te nemen, hoewel het onderwerp gevoelig ligt. Wanneer etnisch profileren vanaf oktober 2013 in de politieke en publieke belangstelling komt te staan,

valt hun optreden nog moeilijk te rijmen met hun vroegere opvattingen.

Analyse van de UvL

Joanne van der Leun is sinds 2001 professor in de criminologie aan de UvL. Maartje van der Woude is sinds 2010 assistent-professor en werd begin 2016 tevens benoemd tot professor in de rechtssociologie. Beide wetenschappers schrijven al enige jaren over etnisch profileren en hebben verschillende (wetenschappelijke) publicaties over het onderwerp op hun naam staan.

Hierin pleitten zij voor meer aandacht van overheid, politie en wetenschap voor het plaatsvinden van etnisch profileren in Nederland. Zij verwezen hierbij regelmatig naar ervaringsonderzoeken inzake discriminatie, waaruit blijkt dat een aanzienlijk deel van de etnische minderheden van mening is, mede vanwege hun huidskleur of etnische afkomst, te worden gecontroleerd door de politie. Dit vormt geen bewijs voor het plaatsvinden van etnisch profileren, omdat ervaren discriminatie niet hoeft te betekenen dat de politie daadwerkelijk discrimineert. Ervaringsonderzoeken geven echter wel aanleiding om het plaatsvinden van etnisch profileren serieus te nemen.

Van der Leun en Van der Woude wezen er in verschillende publicaties op dat de zorgen over het plaatsvinden van etnisch profileren sinds eind jaren ’90 zijn toegenomen. Een reden daarvoor is het veranderende politieke en maatschappelijke klimaat ten aanzien van migratie en etnische minderheden, dat tevens van invloed is op het werk van de politie. Daarnaast is de verruiming van de discretionaire bevoegdheden van de Nederlandse politie van belang, onder meer als gevolg van de invoering van de uitgebreide identificatieplicht in 2005. Hiermee kregen politieagenten meer eigen beoordelingsruimte bij de keuze mensen te controleren of staande te houden, zonder dat er sprake is van een redelijk vermoeden van schuld.

Van der Leun en Van der Woude schreven in 2011 in het artikel Policing and Society: ‘recent social, political and legal developments have increased the possibility for ethnic profiling in the Netherlands.’ Ook benoemden zij het risico op etnisch profileren als gevolg van de uitbreiding van de discretionaire bevoegdheden van de Nederlandse politie en ‘great deal of discretionary power on the hands of those who have to enforce the law, bearing the risk that such powers may be carried out (in part) on the basis of generalizations relating to race, ethnicity, religion or nationality instead of on the basis of individual behavior and/or objective evidence.’

Begin 2013 schreven Van der Leun en Van der Woude in het Tijdschrift voor Criminaliteit in vergelijkbare bewoordingen: ‘Selecteren op basis van etniciteit lijkt dusdanig vervlochten te zijn met de Nederlandse veiligheidscultuur en de wijze waarop politici en journalisten maar ook alle actoren werkzaam binnen de strafrechtketen, hierdoor beïnvloed zijn en worden, dat het de vraag is in hoeverre het houdbaar is om te beweren dat etnisch profileren geen probleem is in Nederland.’

De wetenschappers hebben in het recente verleden dus gepleit voor wetenschappelijke aandacht voor etnisch profileren. In het artikel uit 2011 wezen zij er tevens op het ontbreken van wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren in contrast staat met de grote hoeveelheid onderzoek naar de oververtegenwoordiging van etnische minderheden in criminaliteitsstatistieken: ‘With respect to research, we must conclude that sound and actual empirical research of the practice and effects of ethnic profiling is lacking, which is in stark contrast to the amount of research on the over-representation of migrants in registered crime and disorder. For a long time the selectivity discussion in the Netherlands was seen as old-fashioned. Researchers adopted a pragmatic stance, assuming that ethnic profiling or biased policing was not taking place.’

Van der Leun en Van der Woude wezen eerder ook op de gevoeligheid van onderzoek naar mogelijke politiediscriminatie. In 2012 schreef Van der Woude in het Strafblad dat onderzoek naar mogelijke discriminatie door de politie gevoelig ligt, maar dat de wetenschap signalen van discriminatie niet kan en mag negeren: ‘Vanwege de gevoeligheid van onderzoek naar mogelijk discriminatoir handelen van opsporingsbeambten, is recent en gedegen empirisch onderzoek hiernaar in Nederland zeer schaars. Hoewel het onmogelijk is om louter op basis van deze internationale signalen conclusies te trekken, kunnen dergelijke signalen ook niet genegeerd worden: niet door de politiek, niet door de opsporingsinstanties en ook niet door de wetenschap!’

Spreekbuis van de politie

In oktober 2013 komt etnisch profileren in de politieke en publieke belangstelling te staan. Dit naar aanleiding van het verschijnen van een rapport van Amnesty International en vanwege aanhoudende berichtgeving over politiegeweld en discriminatie door de politie in Den Haag. Van der Leun en Van der Woude hebben in het verleden zelf gepleit voor meer aandacht voor het plaatsvinden van etnisch profileren. Maar zodra die aandacht er eind 2013 komt en er daadwerkelijk een publiek debat over etnisch profileren ontstaat, zetten zij zich af tegen Amnesty, hoewel de analyse van de mensenrechtenorganisatie grotendeels overeen komt met de analyse die beide wetenschappers in het recente verleden zelf hebben gemaakt.

Het rapport van Amnesty (Proactief politieoptreden vormt risico voor de mensenrechten. Etnisch profileren onderkennen en aanpakken) is in wezen een literatuurstudie waarin bestaande onderzoeken naar de uitvoering van de politietaak, veiligheidsbeleid en discriminatie worden geïnventariseerd en geanalyseerd. Die analyse komt grotendeels overeen met die van Van der Leun en Van der Woude.

Amnesty roept de Nederlandse overheid in haar rapport op om het plaatsvinden van etnisch profileren te onderkennen en meer onderzoek te [laten] doen naar het plaatsvinden hiervan. De mensenrechtenorganisatie wijst er hierbij op dat etnisch profileren niet het gevolg hoeft te zijn van evident racisme bij politieagenten, maar benadrukt dat het kan berusten op onbewuste aannames en vooroordelen van agenten. Amnesty velt ook geen stellig oordeel over de schaal waarop etnisch profileren in Nederland plaatsvindt en concludeert dat etnisch profileren ‘het niveau van op zichzelf staande incidenten’ overstijgt.

Joanne van der Leun en Maartje van der Woude verschijnen aan de hand van het Amnesty-rapport regelmatig in de media om een reactie te geven op het rapport. De UvL trekt de validiteit van het rapport in twijfel. Van der Leun en Van der Woude beweren namelijk dat Amnesty stelt dat etnisch profileren structureel voorkomt, om vervolgens te beweren dat dit niet blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Hiermee suggereren zij dat Amnesty niet betrouwbaar is. Volgens Van der Leun heeft ‘Amnesty een harde conclusie getrokken, die niet gedragen wordt door onderzoek’. [Volkskrant] Van der Woude schrijft op haar blog onder meer: ‘Amnesty has gone a step too far by declaring ethnic profiling to be a structural problem.’

Amnesty concludeert in haar rapport echter niet dat de Nederlandse politie structureel etnisch profileert. Wel beweert Amnesty-directeur Nazarski op 28 oktober 2013 in het televisieprogramma Nieuwsuur dat etnisch profileren ,,tamelijk structureel” plaatsvindt. Een dag later kiest hij tijdens een seminar voor andere bewoordingen en zegt dat etnisch profileren ,,vaker dan incidenteel” plaatsvindt. Hoewel de externe communicatie van Amnesty niet eenduidig is, mag van de wetenschappers Van der Leun en Van der Woude worden aangenomen dat zij reageren op Amnesty’s rapport, en niet op Nazarski’s ‘tamelijk structureel’ uitspraak in Nieuwsuur.

Tevens verwijt de UvL dat Amnesty in haar onderzoek een selectieve weergave heeft gegeven van bestaand onderzoek naar etnisch profileren. De ngo zou te weinig aandacht hebben besteed aan het politieperspectief. Volgens Van der Woude wordt in het Amnesty-rapport ,,grotendeels voorbijgegaan aan de complexe situaties waarin agenten hun beslissingen moeten nemen. […] Juist de kant van de politie, haar perspectief, ontbreekt in het gros van het door Amnesty aangehaalde onderzoek.” [Volkskrant, 30-10-13]

Partijdigheid Amnesty

Volgens het rapport Etnisch profileren in Den Haag? uit 2014, opgesteld door de UvL in opdracht van de overheid, concludeert Amnesty dat etnisch profileren het niveau van opzichzelfstaande incidenten overstijgt, maar wordt ‘onderzoek dat dit niet constateert buiten beschouwing gelaten of opnieuw geïnterpreteerd door Amnesty’. Van der Leun en Van der Woude suggereren hiermee dat Amnesty partijdig is. De wetenschappers specificeren echter niet welke onderzoeken Amnesty buiten beschouwing heeft gelaten of anders heeft geïnterpreteerd.

Tijdens een gemeenteraadsbijeenkomst in Den Haag op 25 juni 2014, waar Van der Leun een toelichting geeft op het door de UvL gepubliceerde rapport over etnisch profileren in Den Haag – wordt haar gevraagd om aan te geven welke onderzoeken Amnesty in haar rapport buiten beschouwing heeft gelaten. Ook de aanwezige Amnesty-medewerker geeft aan dit graag te vernemen. Van der Leun laat deze vraag echter onbeantwoord.

Amnesty zou – volgens de UvL – bestaande onderzoeken herinterpreteren. Opvallend genoeg herinterpreteert Van der Leun in 2014 zelf onderzoek dat in 2011 onder haar verantwoordelijkheid verscheen. Het betreft de scriptie van Clothilde Caillault (Etnicity of policing in France and the Netherlands), waarvoor Van der Leun als scriptiebegeleider fungeerde. Het is een vergelijkend (observatie) onderzoek naar de Franse en de Nederlandse politie, en de rol die stereotype denkbeelden en vooroordelen over etnische minderheden spelen in het politiewerk.

Caillault concludeert dat Nederlandse politieagenten, meer dan Franse, openlijk spreken in vooroordelen over etnische minderheden en criminaliteit. Voor de politie zijn dergelijke vooroordelen ‘part of a police operational culture guiding police action and can thus have practical consequences.’ Stereotype denkbeelden onder politieagenten leiden er volgens Caillault toe dat de Nederlandse politie stelselmatig etnisch profileert: ‘By triggering police suspicion, stereotypes can lead to ethnic profiling practices and discrimination (understood as intended action). In the Netherlands, where we conducted our observations, we found that such methods were routinely used by police officers.’

Deze scriptie werd goedgekeurd door Van der Leun en men dient er dus vanuit te gaan dat ze aan de wetenschappelijke standaarden voldoet. (de scriptie werd voorgedragen voor de UvA scriptieprijs) De UvL refereert in haar rapport van 2014 aan dit onderzoek, maar geeft een verdraaide weergave van Caillault’s bevindingen. In het Leidse rapport wordt gesteld dat, volgens Caillault, de Nederlandse politie ook in generaliserende zin veel openlijker spreekt over bevolkingsgroepen dan de Franse politie, en dat Caillault ‘veronderstelt dat dit eerder leidt tot etnisch profileren dan het meer neutrale taalgebruik van de Franse politie’.

‘Veronderstelt’ is een aanzienlijke afzwakking van wat Caillault daadwerkelijk concludeerde, namelijk dat de Nederlandse politie (routinely) stelselmatig etnisch profileert. Scriptiebegeleider Van der Leun kon zich in 2011 nog in deze conclusie vinden, in 2014 herschrijft zij haar eigen academische geschiedenis. Haar verwijt aan Amnesty bestaande wetenschappelijke onderzoeken naar etnisch profileren te herinterpreteren, komt hiermee in een vreemd daglicht te staan.

Polarisering

Voorheen bepleitten Van der Leun en Van der Woude voor meer politieke, maatschappelijke en wetenschappelijke aandacht voor het plaatsvinden voor etnisch profileren. Wanneer er in oktober 2013 daadwerkelijk een publiek debat over etnisch profileren ontstaat, beschuldigt men Amnesty van polarisering. Van der Leun: ,,Ik ben bang dat zo’n harde conclusie van Amnesty, die niet wordt gedragen door het onderzoek dat er is, alleen maar polariserend werkt. Terwijl het op zich juist belangrijk is dat er een debat over wordt gevoerd.” [Volkskrant, 29-10-13]

Amnesty doet – met het onderkennen van het (op enige schaal) plaatsvinden van etnisch profileren – in de ogen van Van der Woude een frontale aanval op de politie: ,,Voor een vruchtbaar debat over verantwoorde beslissingsprocessen is het van groot belang dat debat daadwerkelijk met en dus niet louter tegen de politie te voeren. Taboes zijn er om doorbroken te worden, zo ook het taboe rond etnisch profileren. Maar het debat daarover mag niet leiden tot nog meer stereotyperen, in dit geval tot stereotypering van de politie.” [Volkskrant, 30-10-2013]

Ook in haar rapport van 2014 over etnisch profileren in Den Haag neemt de UvL stelling tegen Amnesty: ‘De rol van de media en de ngo’s die het debat over etnisch profileren hebben aangezwengeld […] mag niet onbenoemd blijven: het debat werd conceptueel niet altijd even zuiver gevoerd, waardoor begrippen als etnisch profileren, discriminatie en racisme inwisselbaar leken te zijn.’

De UvL suggereert zelfs dat de publieke aandacht voor etnisch profileren ertoe heeft geleid dat mensen zich gediscrimineerd voelen. ‘Percepties van burgers over etnisch profileren en de mate waarin dit voorkomt worden onmiskenbaar ook beïnvloed door dergelijke publieke discussies’, aldus het Leidse rapport. Mensen zouden dus niet op basis van hun eigen ervaringen de indruk hebben gediscrimineerd te worden door de politie, maar dit zou hen zijn aangepraat door Amnesty en andere ngo’s.

Het politieperspectief

Een constante in de publieke optredens van Van der Leun en Van der Woude vanaf oktober 2013 is hun pleidooi om het politieperspectief in het publieke debat over etnisch profileren te betrekken. Hiermee bedoelen zij dat er rekening dient te worden gehouden met ‘de complexe situaties waarin agenten hun beslissingen moeten nemen’. Amnesty zou het politieperspectief onvoldoende in ogenschouw nemen en voorbijgaan aan de moeilijke omstandigheden waaronder agenten hun werk verrichten. Amnesty zou slechts polariseren en de dialoog met de politie verstoren. Van der Leun en Van der Woude wekken hiermee de indruk de

politie in bescherming te willen nemen, namens de politie te spreken, en als spreekbuis van de politie op te treden.

De ommezwaai in de Leidse opvattingen en dito pleidooi voor het politieperspectief komt terug in de slotoverwegingen van het in juli 2014 verschenen rapport van de UvL over etnisch profileren in Den Haag. De UvL reflecteert hierin de professionalisering van multicultureel politiewerk en plaatst vraagtekens bij de bruikbaarheid van de term etnisch profileren: ‘Of het begrip etnisch profileren daarbij een goed aanknopingspunt vormt, is de vraag.’ De term etnisch profileren zou voornamelijk tot verwarring leiden, omdat mensen verschillende definities hanteren: ‘Bovendien lijkt het bijna automatisch koppelen van de term aan discriminatie en racisme in plaats van aan professionele beslissingsprocessen eerder contraproductief te werken, dan dat het de verbinding tussen politie en samenleving zal verbeteren.’

De ommezwaai in de Leidse opvattingen is hiermee compleet. Voorheen pleitten Van der Leun en Van der Woude voor meer aandacht voor het mogelijk plaatsvinden van etnisch profileren, hoewel het onderwerp gevoelig ligt. Nu stellen zij het gebruik van de term etnisch profileren ter discussie, en beschouwen zij etnisch profileren niet op voorhand als een vorm van discriminatie.

Door de politie wordt het contraproductief bevonden om het plaatsvinden van etnisch profileren te onderkennen en etnisch profileren te koppelen aan discriminatie. Men kan zich echter afvragen of de wetenschap zich in deze mate in het politieperspectief dient te verplaatsen. De taak van de wetenschap is om onafhankelijk, wetenschappelijk onderzoek te verrichten. En niet om zich af te vragen wat er wel en niet contraproductief is voor de verbinding tussen politie en samenleving.

Afspraken UvL met Haaglanden

Hoe is het onderzoek Etnisch profileren in Den Haag? Een verkennend onderzoek naar opvattingen en beslissingen op straat uit 2014, opgesteld door de Uvl, eigenlijk tot stand gekomen? Naar aanleiding van het Amnesty-rapport en de berichtgeving over discriminatie door de politie Den Haag wordt in november 2013 in de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad gevraagd om een wetenschappelijk onderzoek naar het plaatsvinden van etnisch profileren. De UvL kwam al snel in beeld om dit onderzoek uit te laten voeren.

In het rapport van de UvL naar etnisch profileren in Den Haag wordt geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren. Buro Jansen & Janssen heeft in 2015 via een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) van de politie Haaglanden documenten verkregen over de totstandkoming van het Leidse onderzoek. Hieruit blijkt dat de UvL en de politie Haaglanden voorafgaand aan het onderzoek afspraken hebben gemaakt om mogelijke imagoschade voor de politie Haaglanden te voorkomen, en dat het Leidse onderzoek berust op twee eerder verschenen masterscripties criminologie. De UvL heeft dit altijd verzwegen.

De UvL benaderde de politie Haaglanden in 2011 met een voorstel om onderzoek te doen naar de interactie tussen de politie en jongeren uit etnische minderheden. Twee master studenten criminologie zouden hiervoor onder meer meelopen met politiediensten en interviews houden met agenten. Binnen de politie Haaglanden stond men positief tegenover het onderzoeksvoorstel, maar zag men wel een mogelijk afbreukrisico: ‘Afbreukrisico kan zijn dat het de aandacht kan vestigen op (mogelijke) discriminatie door de politie. Om die reden zal vooraf goed doorgesproken moeten worden met Criminologisch Instituut wat de insteek is van het onderzoek: multicultureel vakmanschap of discriminatie.’ [Memo aan OKD 14-11-11]

Uit de notulen van de korpsdirectie vam politie Haaglanden blijkt dat bovengenoemd afbreukrisico is besproken, en afgekaart, met Van der Leun: ‘Afbreukrisico [van het onderzoek] kan zijn dat het de aandacht kan vestigen op [mogelijke] discriminatie door de politie. Dit risico is met professor Van der Leun besproken. Zij begrijpt de onwenselijkheid hiervan en heeft aangegeven dat zij […] dit punt expliciet zal bespreken met de studenten en dat zij hierop zal letten bij de tussentijdse besprekingen van de (concept) scripties.’ [Notulen Korpsdirectie Den Haag, 27-1211]

Scripties worden belangrijk

De UvL en de politie Haaglanden spraken in 2011 dus af dat, wanneer de twee Leidse studenten tijdens hun onderzoeken zouden stuiten op mogelijke voorbeelden van discriminatoir optreden door de Haagse politie, zij terughoudend zouden zijn om dit in hun scripties op te schrijven. Van der Leun zou hier tijdens de voortgang van het onderzoek en het schrijven van de scripties op letten.

De UvL en de politie Haaglanden spraken in 2011 tevens af dat de scripties in eerste instantie bedoeld waren voor intern gebruik door de Haagse politie. De twee studenten verrichtten hun veldwerk in 2012 en rondden hun scripties in augustus 2013 af. De scripties werden, zoals afgesproken, niet openbaar gemaakt en het was op dat moment nog niet aan de orde om de scripties om te vormen tot een publiek toegankelijk onderzoek.

In november 2013 besluit de UvL de twee scripties op te schalen tot een publiek toegankelijk onderzoek. Hiermee werkt de universiteit mee aan een politieke operatie in schadebeheersing. De overheid heeft in november 2013 namelijk behoefte aan wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren vanwege verschijning van het Amnesty-rapport. Ook de Haagse gemeenteraad vraagt naar aanleiding van berichtgeving over discriminatoir optreden door de politie Den Haag om een onderzoek.

Het inschakelen van de UvL moet beschouwd worden als een vorm van politiek opportunisme: de UvL ‘levert op bestelling’. Wanneer minister Opstelten (Justitie) en burgemeester Van Aartsen het onderzoek in november 2013 toezeggen, zijn de conclusies al in grote lijnen bekend, aangezien de twee Leidse studenten hun masterscripties augustus 2013 hebben afgerond.

Dat de conclusies eind 2013 al bekend waren, blijkt ook uit een interne notitie waarin staat: ‘Dat etnisch profileren door de politie, ook in Den Haag, wel eens voorkomt is bekend. Op basis van de ervaringen tot nu toe wijst ook volgens de onderzoekers er tot dusverre echter niets op, dat het een structureel probleem is. Ook het onderzoek dat in Den Haag plaatsvindt, wijst daar niet op. De conclusie dat het wel een structureel probleem zou zijn, komt volledig voor de rekening van Amnesty.’ [Notitie Onderzoek naar etnisch profileren in eenheid Den Haag, 2013]

Onjuiste voorlichting

Zowel het Ministerie van Veiligheid en Justitie en het Haagse gemeentebestuur, als wel politie Haaglanden en de UvL geven geen openheid van zaken over de totstandkoming van het onderzoek. In november 2013 zeggen toenmalig Minister van Veiligheid en Justitie Opstelten en de Haagse burgemeester Van Aartsen in de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad een wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren toe. Zij hebben het hierbij over een lopend onderzoek naar de politie Den Haag dat door de UvL wordt uitgevoerd.

De Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad worden hier dus onjuist en onvolledig geïnformeerd: het betreft geen lopend onderzoek maar onderzoek op basis van twee reeds afgeronde masterscripties. Bovendien verzwijgen Opstelten en Van Aartsen de gemaakte afspraken tussen de UvL en de politie Haaglanden. Ook in de hierop volgende maanden informeren het Ministerie en het Haagse gemeentebestuur de Tweede kamer en de Haagse gemeenteraad verschillende malen onjuist en onvolledig over de totstandkoming van het onderzoek.

De UvL heeft nooit openheid van zaken gegeven over de totstandkoming van het onderzoek. Van der Leun geeft op 4 december 2013, 4 juni 2014 en 25 juni 2014 een toelichting op het onderzoek in de Haagse gemeenteraad. Zij maakt hier geen gewag van de vooraf met de politie Haaglanden gemaakte afspraken om imagoschade voor de Haagse politie te voorkomen. Zij meldt niet dat het Leidse onderzoek berust op onderzoek dat is verricht ten behoeve van twee masterscripties criminologie.

Ook in het in juni 2014 verschenen onderzoeksrapport geeft de UvL hierover geen openheid van zaken. Wel wordt hierin vermeld dat het veldwerk voor het onderzoek al in 2012 is verricht, maar het rapport meldt dat het veldwerk ‘door twee junior onderzoekers is verricht’. Kortom, de UvL heeft een onderzoek op bestelling geleverd. Het Leidse rapport wordt door de overheid beschouwd als een repliek op de in oktober 2013 door Amnesty geuite zorgen en berichtgeving over discriminatie door de Haagse politie.

Dit laatste blijkt bijvoorbeeld uit een interne memo van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 3 juli 2014, waarin naar aanleiding van het verschijnen van het Leidse rapport wordt geconcludeerd: ‘Het door Amnesty International geschetste beeld in november 2013 is daarmee genuanceerd’. In een interne e-mail van 3 juni 2014 wordt gesteld: ‘Toon van rapport is positief voor politie. Er is geen sprake van etnisch profileren.’ De regering, het Haagse gemeentebestuur en de politie doen hun voordeel met het Leidse rapport en zullen er in 2014 en 205 regelmatig naar verwijzen in reactie op nieuwe berichten en aantijgingen over discriminatie door de politie Den Haag.

Observatieonderzoek

Etnisch profileren in Den Haag? roept ook vraagtekens op over de wijze waarop de UvL haar onderzoek heeft uitgevoerd. Het observatieonderzoek is niet systematisch gedaan en de wijze waarop de rechtvaardiging van politiecontroles in het rapport beoordeeld wordt, wordt niet inzichtelijk gemaakt. De beantwoording van een stelling over het plaatsvinden van etnisch profileren door 33 Haagse politieagenten duidt erop dat de meeste dienders van mening zijn dat etnisch profileren vaak plaatsvindt, maar in het rapport wordt dit op een andere niet inzichtelijke wijze geïnterpreteerd.

Voor het observatieonderzoek is de volgende vraagstelling gehanteerd: ‘In hoeverre kunnen beslissingen van agenten om in concrete situaties te handelen worden gerechtvaardigd in die situatie en welke rol spelen etniciteit en/of huidskleur daarbinnen.’ De twee studenten (in het rapport aangeduid als ‘junior onderzoekers’) hebben gedurende vier maanden 153 uur meegelopen met 17 politiediensten. De conclusies berusten op een analyse van zestig geobserveerde politiecontroles, waarin agenten op grond van hun discretionaire bevoegdheden overgingen tot een controle of staandehouding. Het rapport concludeert dat drie van de geobserveerde zestig controles mede worden ingegeven door iemands huidskleur en etnische afkomst, zonder dat dit gerechtvaardigd kan worden.

De wijze waarop de rechtvaardiging van politiecontroles in het Leidse rapport wordt beoordeeld, is niet inzichtelijk. Er is sprake van een rechtvaardiging wanneer de onderzoekers een rechtvaardiging voor een controle kunnen geven. ‘Het gaat er hierbij om te bezien in hoeverre geobserveerde beslissingen agenten tijdens hun dienst in de ogen van de onderzoekers objectief en redelijk gerechtvaardigd kunnen worden’, aldus de opstellers.

In het rapport wordt echter veelal niet inzichtelijk gemaakt waarop de onderzoekers hun beoordeling baseren. Volgens het rapport baseren politieagenten hun controle meestal op concrete gedragingen, informatie of situationele omstandigheden. De onderzoekers stellen herhaaldelijk dat zij niet de indruk hebben dat huidskleur en etniciteit een rol spelen bij de beslissing van agenten welke personen te controleren. Het rapport maakt echter niet inzichtelijk waarom de onderzoekers deze indruk hebben, en op grond waarvan zij dit concluderen. Volgens het rapport zijn ‘de gebeurtenissen tijdens de diensten op een redelijk ‘vrije’ manier geobserveerd’.

Tijdens het observatieonderzoek hebben de twee studenten nauwelijks gevraagd naar de overwegingen van agenten voor hun keuze welke personen te controleren. Het observatieonderzoek heeft niet systematisch plaatsgevonden. Dit wordt in het Leidse rapport ook onderkend: ‘Gezien het karakter van de diensten en de intensiviteit van het onderzoek was het niet mogelijk bij elke handeling van agenten gestructureerd te vragen waarom zij handelden.’

Het niet systematisch vragen naar de overwegingen van agenten is merkwaardig. Het is de vraag hoe de rechtvaardiging van politiecontroles dan beoordeeld kan worden? Zeker daar in het Leidse rapport als tekortkoming van andere wetenschappelijke onderzoeken wordt geconstateerd ‘dat er in concrete interacties, beslissingen en afwegingen daarbinnen geen concreet zicht is op de rechtvaardiging van voor staandehoudingen, hetgeen essentieel is bij de vraag of over etnisch profileren gesproken kan en mag worden.’

Interviews met agenten

Het onderzoek van de UvL beoogt tevens de percepties van agenten over het plaatsvinden van etnisch profileren te onderzoeken. De beantwoording van een stelling hierover door 33 Haagse politieagenten duidt erop dat de meeste dienders van mening zijn dat etnisch profileren vaak plaatsvindt. In het rapport wordt de beantwoording van de stelling echter op een andere wijze geïnterpreteerd.

De twee studenten hebben aan 33 politieagenten de volgende stelling voorgelegd: ‘Er wordt gezegd dat sommige politieagenten mensen van bepaalde etnische groepen staande houden omdat zij denken dat deze groepen eerder bepaalde vormen van criminaliteit plegen dan andere groepen.’ De stelling wordt door het merendeel van de geïnterviewde politieagenten (22 van de 33) bevestigend beantwoord.

De voor de hand liggende conclusie lijkt hier te moeten zijn dat de antwoorden van de agenten een aanwijzing vormen dat etnisch profileren vaak voorkomt. Het Leidse rapport onderkent dit ook en stelt: ‘Op het eerste gezicht lijken deze percepties in tegenspraak met de observaties, die weinig aanwijzingen voor etnisch profileren lieten zien.’

In het rapport wordt echter voor een andere interpretatie van de interviews gekozen. Een aantal agenten zou de vraagstelling niet goed begrepen hebben en zou (ook) van etnisch profileren spreken wanneer relatief veel personen met een migrantenachtergrond worden staande gehouden, omdat die nu eenmaal een groot aandeel van de bevolking uitmaken in bepaalde wijken – en dit kan volgens het rapport niet als etnisch profileren beschouwd worden.

Het is niet inzichtelijk hoe de onderzoekers tot deze interpretatie komen. Het rapport maakt bovendien niet duidelijk hoeveel agenten de stelling wel en niet goed begrepen hebben. Bovendien kan men zich afvragen, indien men concludeert dat een aantal agenten de stelling niet goed begrepen heeft, of de stelling wel voldoende duidelijk geformuleerd is en het überhaupt nog mogelijk is conclusies te trekken uit de beantwoording ervan.

Oververtegenwoordiging

In het Leidse rapport blijft onduidelijk in hoeverre politieagenten zich bij de keuze welke personen te controleren baseren op het algemene feit dat bepaalde etnische minderheden oververtegenwoordigd zijn in bepaalde vormen van criminaliteit. In het rapport blijft bovendien onduidelijk of de onderzoekers deze oververtegenwoordiging als een rechtvaardiging voor een controle, of als etnisch profileren, beoordelen.

Het rapport wekt de indruk dat de oververtegenwoordiging van etnische minderheden in bepaalde vormen van criminaliteit voor de Haagse agenten een belangrijke rol speelt in de overwegingen bij de keuze welke personen te controleren. Het rapport maakt echter niet inzichtelijk welke rol deze zogeheten ‘ervaringskennis’ precies speelt, en het blijft veelal onduidelijk of agenten hun controle baseren op algemene informatie over oververtegenwoordiging, of op concrete actuele informatie zoals dadersignalementen.

In het rapport blijft het dus veelal onduidelijk in hoeverre de Haagse politie (bijvoorbeeld) Marokkaans-Nederlandse jongeren controleert, omdat deze jongeren nu eenmaal oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitsstatistieken, maar zonder dat er een verdere concrete geïndividualiseerde aanleiding of rechtvaardiging voor een controle bestaat. Evenmin wordt duidelijk hoe een controle op basis van dergelijke algemene ervaringskennis (de oververtegenwoordiging van etnische minderheden in bepaalde vormen van criminaliteit) wordt beoordeeld.

Beschouwt de UvL dit als een controle waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat, en die dus als etnisch profileren aangemerkt moet worden? Of beschouwt men dit als een controle die gerechtvaardigd kan worden, en dus niet als etnisch profileren aangemerkt hoeft te worden? In het inleidende hoofdstuk van het rapport wordt dit als een grijs gebied benoemd: ‘In de wetenschappelijke literatuur wordt veel minder ingegaan op de vraag of bekende criminaliteitspatronen ook een rechtvaardiging kunnen en mogen zijn. Dit lijkt een grijs gebied, dat meer aandacht behoeft.’

Hiermee wordt de analyse niet inzichtelijk gemaakt. Bovendien zijn Van der Leun en Van de der Woude op dit punt van opvatting veranderd. In het verleden vonden zij namelijk nog dat politiecontroles op basis van het algemene feit van oververtegenwoordiging op gespannen voet staan met het verbod op discriminatie. Van der Leun en Van der Woude schreven in 2013 nog in het in het Tijdschrift voor Cultuur en Criminaliteit: ‘Ondanks de mogelijke oververtegenwoordiging van bepaalde etnische groeperingen bij specifieke vormen van criminaliteit, staat deze laatste vorm van profileren op gespannen voet met het in de Grondwet verankerde verbod op discriminatie.’

Wetenschappelijke onafhankelijkheid

Het onderzoek van de UvL getuigt niet van het serieus nemen van het plaatshebben van etnisch profileren. De conclusie van het onderzoek stond feitelijk al vast, aangezien de UvL vooraf heeft afgesproken om mogelijke imagoschade voor de politie Haaglanden te voorkomen. De universiteit vond het, net als de politie Haaglanden, onwenselijk wanneer het onderzoek zou wijzen op mogelijke discriminatie door de Haagse politie.

Met de kennis van nu komt de conclusie van het onderzoek – er zijn geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren – in een ander daglicht te staan. Er zijn vraagtekens te plaatsen bij de inzichtelijkheid van de analyse en de kwaliteit van het onderzoek. Het observatieonderzoek berust niet op een systematische beoordeling van de rechtvaardiging van politiecontroles, maar op de inschatting van de onderzoekers waarbij het veelal niet inzichtelijk is waarop deze inschatting is gebaseerd en waarbij nauwelijks is gevraagd naar de overwegingen van agenten bij de keuze welke personen te controleren.

Het rapport maakt niet inzichtelijk in hoeverre politieagenten zich bij controles baseren op het algemene feit dat bepaalde etnische minderheden oververtegenwoordigd zijn in bepaalde vormen van criminaliteit, en het is niet duidelijk of het algemene feit van oververtegenwoordiging als een rechtvaardiging voor een controle of als etnisch profileren wordt beoordeeld. De beantwoording van een stelling over het plaatsvinden van etnisch profileren door 33 Haagse politieagenten duidt erop dat de meeste dienders van mening zijn dat etnisch profileren vaak plaatsvindt, maar in het rapport worden de antwoorden op een andere niet inzichtelijke manier geïnterpreteerd.

De precieze invloed van de in 2011 gemaakte afspraken tussen de UvL en de politie Haaglanden over de inhoud van het Leidse rapport is onduidelijk. De UvL heeft nooit openheid van zaken gegeven over de totstandkoming ervan en heeft – ook in antwoord op het WOB-verzoek van Buro Jansen & Janssen – de twee scripties en onderliggend onderzoeksmateriaal (zoals veldwerkaantekeningen en de transcripties van de interviews met de politieagenten) nooit openbaar gemaakt. Het blijft hierdoor onduidelijk in hoeverre de (concept) scripties door Van der Leun zijn aangepast en welke onderzoeksresultaten en bevindingen mogelijk niet, of in aangepaste vorm, in de scripties zijn opgenomen. Evenmin is duidelijk in hoeverre de onderzoeksvragen van de twee scripties overeenkomen met die in het Leidse rapport van 2014.

De wetenschappelijke onafhankelijkheid van het onderzoek van de UvL is in het geding. Onderzoeksleider professor Joanne van der Leun was tijdens het onderzoek tevens lid adviesraad politie Haaglanden. Dit staat op zichzelf geen onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek in de weg. Met de in 2011 gemaakte afspraken heeft de politie Haaglanden echter invloed verkregen op de inhoud van het rapport, omdat was afgesproken dat het onwenselijk is wanneer het onderzoek zou wijzen op discriminatie door de Haagse politie.

De titel van het onderzoeksvoorstel dat de UvL in 2011 indiende bij de politie Haaglanden is in dit verband illustratief. De universiteit noemde dit namelijk geen onderzoeksvoorstel, maar een ‘voorstel tot samenwerking’. Onderzoek naar de politie, en samenwerking tussen de universiteit en de politie: het zijn twee verschillende dingen, met te verwachten verschillende uitkomsten.

Kwantitatief onderzoek

Van der Leun en Van der Woude geven geen openheid van zaken over de redenen waarom zij voor Etnisch profileren in Den Haag? geen kwantitatief onderzoek hebben verricht. Bovendien relativeren zij in 2014 het belang van kwantitatief onderzoek om meer inzicht te verkrijgen in het plaatsvinden van etnisch profileren, terwijl zij in het verleden nog pleitten voor kwantitatief onderzoek en het gebruik van controleformulieren.

Kwantitatieve gegevens over het totaal aantal politiecontroles en staande houdingen kunnen meer inzicht geven op de vraag of etnische minderheden onevenredig veel gecontroleerd worden door de politie en aldus meer inzicht bieden in het plaatsvinden van etnisch profileren. Een methode om kwantitatief onderzoek te verrichten is door middel van het gebruik van zogenoemde controleformulieren (stop forms). Hierop maken politieagenten melding van de redenen van een controle, de uitkomst van de controle en de naam en het bureau van de betrokken politieagent.

Buitenlandse onderzoeken tonen aan dat het gebruik van controleformulieren inzicht kan bieden in het plaatsvinden van etnisch profileren, en de politie handvatten kan bieden om hier iets aan te doen. In Nederland is geen kwantitatief onderzoek naar etnisch profileren verricht. Het gebruik van controleformulieren ligt gevoelig bij de Nederlandse politie en de politieleiding heeft zich er nimmer een voorstander van getoond.

In de Tweede Kamer werd in november 2013, naar aanleiding van het Amnesty-rapport, gevraagd om een kwantitatief onderzoek naar etnisch profileren. Toenmalig Minister van Veiligheid en Justitie Opstelten zegde de Kamer toe om de mogelijkheid van kwantitatief onderzoek met de UvL te bespreken. Het onderzoek van de UvL bevat echter geen kwantitatief onderzoek. In het onderzoeksrapport wordt het belang van kwantitatief onderzoek naar etnisch profileren zelfs sterk gerelativeerd. Het rapport gaat uitgebreid in op het zogenoemde ‘benchmark’ probleem dat zich voordoet bij kwantitatief onderzoek.

Wanneer uit kwantitatief onderzoek zou blijken dat etnische minderheden vaker worden gecontroleerd door de politie, kan hieruit niet op voorhand worden geconcludeerd dat er sprake is van etnisch profileren omdat er, volgens het rapport, ‘aan de mogelijke vergelijkingscategorieën nadelen kleven.’ Het rapport concludeert daarom: ‘om die redenen is in het voorliggende onderzoek niet gekozen voor een kwantitatief onderzoek dat tracht disproportionaliteit vast te stellen.’

De UvL geeft in haar rapport geen openheid van zaken over de reden waarom geen kwantitatief onderzoek is verricht. Het scriptieonderzoek van de twee studenten was namelijk vanaf het begin gepland als een kwalitatief, en niet als een kwantitatief onderzoek. Het aangehaalde benchmark probleem is wellicht een relevante factor waarmee rekening dient te worden gehouden bij de interpretatie van kwantitatieve gegevens. Het vormde voor Van der Leun en Van der Woude in het verleden echter geen belemmering om te pleiten voor kwantitatief onderzoek en het gebruik van controleformulieren.

Tekortkoming

In 2011 wezen Van der Leun en Van der Woude in een artikel in Policing in Society erop dat in Nederland tot op heden geen kwantitatief onderzoek naar etnisch profileren is verricht. Zij beschouwden dit als een tekortkoming in vergelijking met bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, waar wel controleformulieren worden gebruikt: ‘With respect to research, we must conclude that sound and actual empirical research of the practice and effects of ethnic profiling is lacking. […] Still today, registered data are not readily available. Unlike in the UK there are no stop and search forms, and the police is not held accountable for their decisions as long as no complaints are filed.’

In het artikel pleitten zij voor kwantitatief onderzoek om meer inzicht te verkrijgen in het plaatsvinden van etnisch profileren: ‘With quantitative research, researchers may be able to show a disparity along ethnic lines, concluding that this is necessarily ethnic profiling is less clear-cut. Qualitative research, on the other hand, may unravel rationales behind police decisions.’

Van der Leun en Van der Woude toonden zich in het verleden ook voorstanders van het gebruik van controleformulieren als onderzoeksmethode. Begin 2013 bepleitten zij in het Tijdschrift voor Criminaliteit onderzoek door middel van controleformulieren: ‘Een mogelijke eerste stap in de richting van het verkrijgen van dit nadere inzicht (zou) kunnen liggen in het invoeren van zogenoemde stop & search forms. Op deze formulieren, die door individuele ambtenaren moeten worden ingevuld iedere keer als ze een burger staande houden, moet in ieder geval de reden van de staandehouding worden genoteerd evenals de etniciteit van de betrokkene.’

De werkelijke reden waarom het onderzoek van de UvL geen kwantitatief onderzoek is niet het vermeende benchmark probleem bij de interpretatie van kwantitatieve gegevens, maar een andere. Het onderzoeksvoorstel dat de UvL in 2011 bij de politie Haaglanden indiende was namelijk bedoeld als onderzoek voor twee scripties van twee masterstudenten criminologie. In het onderzoeksvoorstel was geen plaats voor een kwantitatief onderzoek; een dergelijk onderzoek is veel omvattender en gecompliceerder.

Toen de UvL in november 2013 besloot om de twee scripties op te schalen tot een publiek toegankelijk onderzoek, viel er niet meer te kiezen voor een kwantitatief onderzoek. Het veldwerk en de twee scripties waren immers inmiddels afgerond. Dit kon de UvL in haar rapport echter niet opschrijven. Men had immers geen openheid van zaken gegeven over de totstandkoming van het onderzoek en had verzwegen dat het rapport berust op twee reeds afgeronde scripties.

Conclusie

De rol van Joanne van der Leun en Maartje van der Woude in het debat over etnisch profileren in Nederland wordt ten minste gekenmerkt door een flexibele omgang met de academische integriteit en de wetenschappelijke onafhankelijkheid. Zij hebben in het recente verleden gepleit voor meer aandacht voor het plaatsvinden van etnisch profileren. Wanneer etnisch profileren in oktober 2013, naar aanleiding van een rapport van Amnesty International, in de publieke en politieke belangstelling komt te staan, veranderen zij echter van opvatting en gedragen zich als spreekbuis van de politie.

Beide wetenschappers beschuldigen Amnesty van polarisering, hoewel de oproep van de ngo om het plaatsvinden van etnisch profileren te onderkennen en adresseren overeenkomt met de oproep die beide wetenschappers in het verleden zelf deden. Hierbij pogen zij de betrouwbaarheid van het Amnesty-rapport in twijfel te trekken en beweren zij dat de ngo wetenschappelijke onderzoeken herinterpreteert en bepaalde onderzoeken buiten beschouwing laat, maar zij specificeren dit zelf nooit.

Van der Leun en Van der Woude pleitten er in het verleden voor dat de wetenschap het plaatsvinden van etnisch profileren serieus moet nemen. Het onderzoek van de Universiteit van Leiden naar etnisch profileren in Den Haag getuigt echter niet van het serieus nemen ervan. Voorafgaand aan het onderzoek maakte de UvL en de politie Haaglanden afspraken om mogelijke imagoschade voor het korps te voorkomen.

Voorheen vonden deze wetenschappers dat het plaatsvinden van etnisch profileren onderkend moet worden, hoewel het gevoelig ligt. Nu beschouwen zij het onderkennen van het plaatsvinden van etnisch profileren als contraproductief voor de verbinding tussen politie en samenleving. Zij leveren een onderzoek waarvan zij het onwenselijk vinden wanneer het resultaat wijst op discriminatoir optreden door de Haagse politie. Bovendien berust het onderzoeksrapport op twee reeds afgeronde scripties waarvoor het veldwerk al in 2012 werd verricht en die in augustus 2013 waren afgerond.

Van der Leun en Van der Woude hebben hun onderzoek naar etnisch profileren in Den Haag verricht als wetenschappers in dienst van de overheid. De overheid heeft in november 2013 behoefte aan een wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren omdat hier in de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad om werd gevraagd. Beide wetenschappers hebben een onderzoek op bestelling geleverd en meegewerkt aan een politieke operatie in het kader van schadebeheersing.

De UvL heeft nooit openheid van zaken gegeven over de gemaakte afspraken en de totstandkoming van het onderzoek. Met de kennis van nu komt de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren in een ander daglicht te staan. Vooraf is immers afgesproken om imagoschade voor de politie Haaglanden te voorkomen. De UvL vond het onwenselijk wanneer het onderzoek zou wijzen op mogelijke discriminatoir gedrag van de Haagse politie. Hiermee stonden de conclusies van het onderzoek in feite al bij voorbaat vast.

Vertrouwensband

Criminologen zijn voor de uitvoering van hun onderzoek voor een belangrijk deel afhankelijk van de medewerking van de politie en andere veiligheidsdiensten. Zo is observatieonderzoek voor criminologen alleen mogelijk wanneer zij toestemming krijgen om mee te lopen met politiediensten. Voor dataverzameling geldt hetzelfde. De UvL heeft daarom belang bij het opbouwen van een een vertrouwensband met de politie.

Dit wordt tevens duidelijk aan de hand van een reactie van de universiteit op het WOB-verzoek van Buro Jansen & Janssen. De universiteit schrijft op 30 juli 2015 – als motivatie om de twee scripties en het onderliggende onderzoeksmateriaal zoals de veldwerkaantekeningen niet openbaar te maken – dat de anonimiteit hiermee in gevaar zou komen. ‘Hierbij zou de opgebouwde vertrouwensband – hetgeen een groot goed is bij kwalitatief onderzoek – dusdanig geschaad zijn dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er in de toekomst nog dergelijk maatschappelijk ingebed onderzoek uitgevoerd zou mogen en kunnen geworden’, aldus de UvL.

De UvL heeft een vertrouwensband met de politie opgebouwd en wil deze in stand houden. Dit blijkt tevens uit een blog van Van der Woude in december 2013, waarin zij de bereidwilligheid van de Nederlandse politie om mee te werken aan wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren prijst. ‘Several researchers in the field have experienced that the Dutch police have demonstrated that they are interested in the issue. They acknowledged its importance and they have been open to researchers. This is more than most of our foreign colleagues who do research in their own countries can say’, aldus Van der Woude.

Juist vanwege deze bereidwilligheid van de politie om medewerking te verlenen aan wetenschappelijk onderzoek, lijkt Van der Woude het niet gepast te vinden om kritiek te leveren op het korps. Zij schrijft: ‘We do not see why people point towards the police instead of inviting them to join the dialogue so they can help protect and where necessary rebuild trust. The time would appear to be right.’

Van der Woude maakte in haar blog duidelijk blij te zijn met de Nederlandse politie. En de politie is, op haar beurt blij, met de UvL. November 2014 publiceren Van der Leun en Van der Woude een artikel in het Tijdschrift voor de Politie met de titel Etnisch profileren. Wat weten we nou echt? Hierin zetten zij alle bestaande onderzoeken en inzichten over etnisch profileren in Nederland – waaronder hun eigen onderzoek in Den Haag – nog eens op een rij. En concluderen (terecht) dat uit wetenschappelijk onderzoek geen structureel etnisch profileren blijkt.

Ook herhalen zij nog maar eens hun visie over het belang van een dialoog met de politie: ‘Welles-nietes discussies en een beschuldigende houding nodigen agenten niet uit kritisch naar hun eigen handelen te kijken. Reflectie op het cruciale belang van vertrouwen van alle burgers in de politie, en op de legitimiteit van politiewerk in de huidige diverse samenleving vormt ons inziens een beter uitgangspunt.’

Van der Leun en Van der Woude ontvangen voor dit artikel een prijs van het Tijdschrift voor de Politie voor het beste artikel dat in 2014 over de Nederlandse politie is geschreven. ‘Ieder jaar beloont de redactie het meest bijzondere artikel op het jaarcongres. Dit jaar is de eer voor Joanne van der Leun en Maartje van der Woud en hun artikel over etnisch profileren’, aldus de redactie van het tijdschrift.

Het optreden van Van der Leun en Van der Woude in het publieke debat over etnisch profileren, en het onderzoek van de UvL naar etnisch profileren in Den Haag, tonen aan dat het in stand houden van de vertrouwensband op gespannen voet staat met wetenschappelijke onafhankelijkheid. De vraag is dan ook gerechtvaardigd: wanneer de wetenschap zoveel waarde hecht aan het in stand houden van een vertrouwensband met de politie, behoort een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek naar het plaatsvinden van etnisch profileren dan nog wel tot de mogelijkheden?

Professoren als spreekbuis van de politie (samenvatting)De Universiteit van Leiden en etnisch profileren.

Observant 68, 25 april 2016, Buro Jansen & Janssen

May 192016
 

Professoren als spreekbuis van de politie. (samenvatting)

De Universiteit van Leiden en etnisch profileren.

Het onderkennen en benoemen van discriminatie ligt gevoelig in Nederland, zeker in relatie tot de politie. Deze gevoeligheid laat ook de wetenschap niet onberoerd.

Dit werd de afgelopen jaren zichtbaar tijdens het optreden van professor Joanne van der Leun en assistent-professor Maartje van der Woude, verbonden aan het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Universiteit van Leiden, in het publieke debat over etnisch profileren in Nederland. In het verleden vonden beiden dat de wetenschap het mogelijk plaatsvinden van etnisch profileren serieus moet nemen, hoewel het onderwerp gevoelig ligt.

Maar als naar aanleiding van een rapport van Amnesty International en voortdurende berichtgeving over discriminatie en geweld door de politie in Den Haag etnisch profileren in oktober 2013 in de politieke en publieke belangstelling komt te staan, valt het optreden van Van der Leun en Van der Woude niet te rijmen met hun eerdere opvattingen. Zij manifesteerden zich in het publieke debat over etnisch profileren als spreekbuis van de politie. Zij verrichten onderzoek naar etnisch profileren in Den Haag als wetenschappers in dienst van de overheid.

Van der Leun en Van der Woude pleitten in het verleden voor meer aandacht van overheid, politie en wetenschap voor het plaatsvinden van etnisch profileren en hebben verschillende (wetenschappelijke) publicaties over het onderwerp op hun naam staan. Voor oktober 2013 vonden beide wetenschappers dat het plaatsvinden van etnisch profileren onderkend moest worden, hoewel het onderwerp gevoelig ligt.
Thans beschouwen zij het onderkennen van etnisch profileren als contraproductief voor de verbinding tussen politie en samenleving. Van der Leun en Van der Woude beschuldigen Amnesty van polarisering. Hierbij pogen beiden de betrouwbaarheid van het Amnesty-rapport in twijfel te trekken en beweren zij dat de mensenrechtenorganisatie wetenschappelijke onderzoeken herinterpreteert en bepaalde onderzoeken buiten beschouwing laat. Zij specificeren dit echter nooit.

Juni 2014 publiceerde de Universiteit van Leiden (UvL) een onderzoek naar etnisch profileren in Den Haag (Etnisch profileren in Den Haag? Een verkennend onderzoek naar opvattingen en beslissingen op straat) dat niet getuigt van het serieus nemen van het plaatsvinden van etnisch profileren. Uit stukken die door Buro Jansen & Janssen recent zijn verkregen via een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) blijkt dat de UvL en de politie Haaglanden voorafgaand aan het onderzoek afspraken hebben gemaakt om mogelijke imagoschade voor de politie Haaglanden te voorkomen.

Voorheen vonden Van der Leun en Van der Woude dat het plaatsvinden van etnisch profileren serieus genomen dient te worden, hoewel het onderwerp gevoelig ligt. Nu houden zij rekening met deze gevoeligheid en leveren een onderzoek waarbij zij het onwenselijk vinden indien het onderzoek zou wijzen op discriminatoir handelen door de Haagse politie. Bovendien berust het bewuste onderzoeksrapport op twee reeds afgeronde scripties waarvoor het veldwerk al in 2012 was verricht en die in augustus 2013 reeds waren afgerond.

De overheid had in november 2013 behoefte aan een wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren, omdat hier in de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad om werd gevraagd. De UvL heeft dit onderzoek op bestelling afgeleverd en bewust meegewerkt aan een politieke operatie in schadebeheersing. Onderzoeksleider Joanne van der Leun was tijdens het onderzoek tevens lid adviesraad politie Haaglanden.

De UvL heeft nooit openheid van zaken gegeven omtrent de totstandkoming van het onderzoek, de gemaakte afspraken en het feit dat haar onderzoek berust op twee masterscripties. Er vallen vraagtekens te plaatsen bij de inzichtelijkheid van de analyse en de kwaliteit ervan. Met de kennis van nu komt de door de wetenschappers getrokken conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren in een ander daglicht te staan. Vooraf is immers afgesproken om imagoschade voor de politie Haaglanden te voorkomen. Hiermee stonden de conclusies van het onderzoek in feite al bij voorbaat vast.

Bovendien bevat het rapport geen kwantitatief onderzoek. Van der Leun en Van der Woude geven geen openheid van zaken over de redenen waarom zij geen kwantitatief onderzoek hebben verricht. Tevens relativeren zij in 2014 het belang van kwantitatief onderzoek om meer inzicht te verkrijgen in het plaatsvinden van etnisch profileren, terwijl zij in het verleden nog hebben gepleit voor kwantitatief onderzoek en het gebruik van controleformulieren.

De rol van Van der Leun en Van der Woude in het debat over etnisch profileren in Nederland wordt ten minste gekenmerkt door een flexibele omgang met de academische integriteit en de wetenschappelijke onafhankelijkheid. Hierbij wordt duidelijk dat beide wetenschappers veel belang hechten aan het opbouwen en onderhouden van een vertrouwensband met de politie. Eind 2014 ontvingen zij een prijs van het Tijdschrift voor de Politie voor het beste artikel dat in dat jaar over de Nederlandse politie is geschreven.

Professoren als spreekbuis van de politieDe Universiteit van Leiden en etnisch profileren.

Observant 68, 25 april 2016, Buro Jansen & Janssen

Apr 282016
 

Het in 2014 verschenen onderzoek van de Universiteit van Leiden naar etnisch profileren in Den Haag, en de totstandkoming hiervan, roepen vragen op. De wetenschappelijke onafhankelijkheid en transparantie zijn in het geding. Zowel de Tweede Kamer als de Haagse gemeenteraad zijn onjuist geïnformeerd over de opzet en totstandkoming van het onderzoek.

Eind 2013 kwam etnisch profileren in de publieke en politieke belangstelling te staan. In november van dat jaar werd vanuit de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad verzocht om een wetenschappelijk onderzoek naar het plaatsvinden van etnisch profileren. Toenmalig minister van Veiligheid en Justitie Opstelten en burgemeester van Den Haag Van Aartsen zeiden hierop een onderzoek toe. Het betrof een onderzoek uitgevoerd door de Universiteit van Leiden (UvL) naar etnisch profileren in Den Haag.

In 2014 publiceerde de UvL haar rapport met de conclusie dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren in Den Haag. Het onderzoek Etnisch profileren in Den Haag? Een verkennend onderzoek naar opvattingen en beslissingen op straat stond onder leiding van professor Joanne van der Leun van het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid van de UvL.

Buro Jansen & Janssen heeft in 2015 via een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de politie Haaglanden, het Openbaar Ministerie en de UvL verzocht om openbaarmaking van de onderliggende stukken van het onderzoeksrapport. Hierop hebben met name het Ministerie en de politie enige stukken openbaar gemaakt. In dit artikel wordt de totstandkoming van het onderzoek van de UvL (zoveel mogelijk chronologisch) gereconstrueerd.

Uit de via de WOB verkregen stukken blijkt dat de overheid en de UvL de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad stelselmatig onvolledig hebben geïnformeerd over de totstandkoming ervan. Voorafgaand aan het onderzoek maakten de UvL en de politie Haaglanden in 2011 afspraken om een mogelijk afbreukrisico voor het korps te voorkomen. Beide partijen vonden het onwenselijk indien het onderzoek zou wijzen op mogelijke discriminatie door de Haagse politie. Van der Leun zegde toe hierop te zullen letten tijdens de voortgang van het onderzoek.

Het rapport blijkt te zijn gebaseerd op twee scripties van twee masterstudenten criminologie. De studenten verrichtten hun veldwerk in 2012 en rondden hun scripties in augustus 2013 af. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Haagse gemeentebestuur, de politie en de UvL hebben dit alles verzwegen.

 

I. Het ontstaan van het onderzoek: twee scripties

 In 2011 benadert professor Van der Leun – namens de UvL – de politie in Den Haag en Amsterdam met een onderzoeksvoorstel naar ‘de interactie tussen politieagenten en burgers’. Conform het onderzoeksvoorstel zullen twee masterstudenten criminologie van de UvL meelopen met de politie tijdens hun dienst in drie Haagse wijken en interviews afnemen. Daarnaast hebben de studenten in 2012 straatinterviews gehouden onder jongeren over hun ervaringen met de Haagse politie. Deze interviews zullen ook worden gebruikt in het onderzoek. Blijkens het onderzoeksvoorstel is de UvL aanvankelijk van plan om ook onderzoek in Amsterdam te doen, maar dat heeft echter nooit plaatsgevonden.

Het onderzoek van de studenten is bedoeld voor intern gebruik voor de politie Haaglanden. Bij het indienen van het onderzoeksvoorstel houdt de UvL de mogelijkheid open om het onderzoeksmateriaal in een later stadium alsnog te gebruiken voor wetenschappelijke publicaties. Afgesproken wordt om hier later eventueel apart toestemming voor te vragen bij de politie Haaglanden.

Het onderzoek heeft als centrale onderzoeksvraag de interactie tussen politieagenten en burgers. Volgens het onderzoeksvoorstel zal ingegaan worden op de verhoudingen tussen de politie en burgers uit etnische minderheden en hoe deze door politieagenten en burgers beoordeeld worden. De UvL geeft hierbij aan: ‘Daarbij willen we de visie van de politie expliciet in ons onderzoek betrekken, vanuit de gedachte dat de politie voor de opgave staat enerzijds adequaat in te spelen op lokale problemen, anderzijds de verhoudingen met burgers goed te houden.’

De termen etnisch profileren en discriminatie komen in het onderzoeksvoorstel zijdelings aan bod. De UvL schrijft: ‘In Engeland en de VS is veel onderzoek gedaan naar verhoudingen politie-migranten. Veel van deze literatuur gaat in op racial profiling, ethnic profiling en discriminatie. De studies zijn doordesemd van slechte verhoudingen tussen politie en gemeenschappen van zwarten en migranten. Voor Nederland is de traditie een andere. De vragen zijn daarom wel interessant, maar de antwoorden kunnen wel eens heel anders zijn.’

 

Zorgen over imagoschade

De politie Haaglanden staat welwillend tegenover het onderzoeksvoorstel. In een interne email d.d. 11 november 2011 reageert een politiemedewerker enthousiast: ‘Zie hier een prachtig aanbod van professor Joanne van der Leun, waar wij als politie ook geweldig ons voordeel mee zouden kunnen doen.’

Uit de interne stukken blijkt dat de politie Haaglanden denkt te kunnen leren van het onderzoek, met name ten aanzien van de verdere ontwikkeling van het multicultureel vakmanschap binnen de eenheid. Onder multicultureel vakmanschap wordt binnen de Nederlandse politie ‘de professionaliteit van uitvoerenden en leidinggevenden in de politieorganisatie om te kunnen gaan met de vele culturen en leefstijlen in de eigen organisatie en samenleving’ verstaan.

Binnen de politie Haaglanden bestaat ook angst voor een mogelijk afbreukrisico naar aanleiding van het onderzoek. Wanneer het rapport duidt op politiediscriminatie, wordt dit niet bevorderlijk bevonden voor het imago van het Haagse politiekorps. In een interne memo schrijft een politiemedewerker: ‘Het lijkt een interessant onderzoek te zijn dat inzicht kan geven in de stand van het multicultureel vakmanschap van onze mensen. […] Afbreukrisico kan zijn dat het de aandacht kan vestigen op (mogelijke) discriminatie door de politie. Om die reden zal vooraf goed doorgesproken moeten worden met Criminologisch Instituut wat de insteek is van het onderzoek: multicultureel vakmanschap of discriminatie.’ [Memo aan OKD 14-11-11]

Ook in andere interne mails blijken de zorgen over een mogelijk afbreukrisico van het onderzoek. In een interne email d.d. 14 november 2011 schrijft een medewerker van de politie Haaglanden: ‘Mag het korps wel genoemd worden, dan is het risico dat in de krant komt te staan ‘politie Den Haag discrimineert’, al dan niet meer of minder dan de politie Amsterdam. Het onderzoek lijkt niet die insteek te hebben, maar eerder een van multicultureel vakmanschap. Niettemin kan dat wel een van de uitkomsten zijn. Het is raadzaam daarover van tevoren praten met Joanne van der Leun. Als de onderzoekers zich daarvan tevoren bewust zijn, kan dat  uitmaken voor de inhoud en toon van eventuele publicaties. We zijn immers trots op ons multicultureel vakmanschap, dus het kan ook een positieve boost geven.’

 

Afspraken met UvL

De politie Haaglanden wil dus nader overleggen met Van der Leun over het mogelijke afbreukrisico van het onderzoek: wat te doen wanneer tijdens het onderzoek blijkt dat Haagse politieagenten zich schuldig maken aan discriminatie? Op 27 december 2011 gaat de Haagse korpsleiding – onder voorwaarden – akkoord met onderzoeksvoorstel.

Uit de notulen blijkt dat bovengenoemd afbreukrisico is besproken en is afgekaart met Van der Leun: ‘Afbreukrisico kan zijn dat het de aandacht kan vestigen op (mogelijke) discriminatie door de politie. Dit risico is met prof. Van der Leun besproken. Zij begrijpt de onwenselijkheid hiervan en heeft aangegeven dat zij (en xx – naam is zwartgemaakt) dit punt expliciet zal bespreken met de studenten en dat zij hierop zal letten bij de tussentijdse besprekingen van de (concept) scripties.’ [Overleg Korpsdirectie, 27-11-11]

Tussen maart en juni 2012 voeren de studenten Vijverberg en Vrijhoef hun veldwerk bij de Haagse politie uit. In 2013  ronden zij hun scripties af, en in augustus 2013 studeren zij af als master in de criminologie. De UvL draagt de scriptie van Vijverberg (De contacten tussen jongvolwassenen en agenten. Een kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar opvattingen, ervaringen en concrete interacties vanuit het perspectief van procedural justice) voor aan de masterscriptieprijs 2013 van de Nederlandse Vereniging voor Criminologie.

De scripties worden – conform de in 2011 gemaakte afspraken – niet openbaar gemaakt. Het is de bedoeling dat de UvL ze in november of december 2013 zal presenteren op de Haagse wijkbureaus waar de Leidse studenten hun onderzoek hebben uitgevoerd. Vanwege de ophef die in het najaar van 2013 over het onderwerp etnisch profileren ontstaat, besluiten de politie Haaglanden en de UvL echter om de presentaties tot nader order uit te stellen.

Uit de via de WOB verkregen stukken blijkt dus dat de UvL en de politie Haaglanden eind 2011 afspreken dat de twee studenten – wanneer zij tijdens hun onderzoek stuiten op praktijken die duiden op discriminatoir gedrag van Haagse politieagenten – zij terughoudend zullen zijn om dit in de scripties op te schrijven, en dat Van der Leun hierop zal toezien. Deze afspraken betreffen onderzoek, waarvan het op dat moment nog de bedoeling is dat het intern zal blijven.

De UvL heeft nimmer openheid van zaken geboden over de met de politie Haaglanden gemaakte afspraken. Dit betekent dat de details van de gemaakte afspraken niet bekend zijn. Evenmin is duidelijk of bepaalde onderzoeksresultaten of bevindingen mogelijk niet, of in aangepaste vorm, in de scripties zijn opgenomen. Evenmin is duidelijk op welke wijze de in 2011 gemaakte afspraken van invloed zijn geweest op de inhoud van het in 2014 verschenen rapport van de UvL.

 

II. Onvolledig informeren van de Tweede Kamer en Haagse gemeenteraad

Eind 2013 komt het etnisch profileren in Nederland in de publieke en politieke belangstelling te staan. Aanleiding is de publicatie van een rapport van Amnesty International op 28 oktober 2013 (Proactief politieoptreden vormt risico voor de mensenrechten. Etnisch profileren onderkennen en aanpakken). In het rapport – feitelijk een literatuurstudie – analyseert en inventariseert Amnesty bestaande onderzoeken naar de uitvoering van de politietaak. Het betreft merendeels onderzoeken die het plaatsvinden van etnisch profileren niet als expliciete onderzoeksvraag hebben, maar (volgens Amnesty) wel aanwijzingen bevatten voor het plaatsvinden van etnisch profileren.

Amnesty concludeert in haar rapport dat etnisch profileren ‘het niveau van op zichzelf staande incidenten’ overstijgt. De ngo roept de overheid op om het plaatsvinden van etnisch profileren te onderkennen en aan te pakken, en om meer onderzoek ernaar te (laten) doen. Tevens komt etnisch profileren in oktober 2013 in de belangstelling te staan in de lokale Haagse politiek. Dit naar aanleiding van aanhoudende berichtgeving over politiegeweld en discriminatie door de politie Den Haag, met name in de Schilderswijk.

Hiermee heeft de overheid in het najaar van 2013 behoefte aan een wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren. Naar aanleiding van het Amnesty-rapport verzoekt de Tweede Kamer het Ministerie van Veiligheid en Justitie om onderzoek te laten verrichten. Tevens krijgt de burgemeester van Den Haag eenzelfde opdracht vanuit de Haagse gemeenteraad vanwege vermeend discriminatoir gedrag van agenten.

In november 2013 maken de toenmalig minister minister van Veiligheid en Justitie Opstelten en de burgemeester van Den Haag Van Aartsen – in respectievelijk de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad – melding van een lopend onderzoek naar etnisch profileren in Den Haag door de UvL. De Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad worden hier dus onvolledig geïnformeerd: het betreft geen lopend onderzoek, daar het onderzoek berust op twee reeds afgeronde scripties.

Zodra het onderzoek in november 2013 wordt toegezegd, zijn de voornaamste uitkomsten ervan bovendien al bekend bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Haagse gemeentestuur en de politie. De twee Leidse studenten hebben hun scripties immers al in augustus 2013 afgerond. Aangezien de scripties nooit openbaar zijn gemaakt, zijn de conclusies ervan niet in detail bekend. Wel heeft de politie Haaglanden in antwoord op het WOB-verzoek van Buro Jansen & Janssen een twee pagina’s tellende factsheet over de scripties (gedateerd augustus 2013) openbaar gemaakt.

In de factsheet wordt geconcludeerd ‘dat etnisch profileren, ook in Den Haag, wel eens voorkomt en wordt van politiezijde niet ontkend. Op basis van de ervaringen tot dusverre wijst volgens de onderzoekers echter niets erop dat etnisch profileren een structureel probleem is’ […] Politieagenten stellen zich over het algemeen professioneel op. Niettemin zijn er voorzichtige aanwijzingen dat etnisch profileren in de praktijk plaatsvindt.’ [Factsheet Uitkomst onderzoek naar etnisch profileren in Den Haag]

Dat de voornaamste conclusies van het onderzoek eind 2013 reeds bekend zijn, wordt tevens duidelijk in een via de WOB verkregen interne notitie (gedateerd eind 2013), waarin staat: ‘Dat etnisch profileren door de politie, ook in Den Haag, wel eens voorkomt is bekend. Op basis van de ervaringen tot nu toe wijst ook volgens de onderzoekers er tot dusverre echter niets op, dat het een structureel probleem is. Ook het onderzoek dat in Den Haag plaatsvindt, wijst daar niet op. De conclusie dat het wel een structureel probleem zou zijn, komt volledig voor de rekening van Amnesty.’ [Notitie Onderzoek naar etnisch profileren in eenheid Den Haag, 2013]

De voornaamste conclusies van het onderzoek van de UvL zijn in november 2013 dus al bekend bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Haagse gemeentebestuur en de politie. Men informeert de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad hier echter niet over.

 

Wie nam het initiatief?

Het is niet duidelijk wie het initiatief heeft genomen om de twee bestaande (voor interne doeleinden bestemde) Leidse masterscripties op te schalen naar een publiek toegankelijk onderzoek. De UvL, het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de politie hebben hierover nooit openheid van zaken gegeven. Ook de via de WOB verkregen stukken geven geen uitsluitsel over de precieze gang van zaken. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie laat in antwoord op het WOB-verzoek weten geen opdracht te hebben gegeven voor het onderzoek en pas op 4 november 2013 bekend te zijn geraakt met het Leidse onderzoek.

De UvL geeft in Etnisch profileren in Den Haag? van juni 2014 geen openheid van zaken over de totstandkoming van het onderzoek. Volgens het rapport betreft haar onderzoek een ‘onafhankelijk eerste geldstroom onderzoek dat op eigen initiatief tot stand is gekomen.’ (‘eerste geldstroom onderzoek’ betreft onderzoek dat direct wordt gefinancierd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap).

Het Leidse rapport meldt dat, toen er enige tijd na afronding van het veldwerk er in de media en lokale politiek aandacht kwam voor etnisch profileren ‘de onderzoekers [hebben] afgesproken met de gemeente Den Haag, om de resultaten niet alleen voor wetenschappelijke artikelen te gebruiken, zoals aanvankelijk beoogd, maar om ook het voorliggende rapport te schrijven.’

De UvL geeft hier een onvolledige voorstelling van zaken. Het initiatief voor het onderzoek kwam in 2011 inderdaad van de UvL. De universiteit zegt dat zij enige tijd na afronding van het veldwerk afspraken heeft gemaakt met de gemeente Den Haag, maar maakt echter niet duidelijk wanneer dit precies is gebeurd. Daarnaast maakt het Leidse rapport geen gewag van de contacten tussen de UvL en de Nationale Politie en het Ministerie van Veiligheid en Justitie, hoewel deze vanaf oktober 2013 wel degelijk hebben plaatsgevonden.

De UvL geeft dus geen volledige openheid van zaken. Het is echter aannemelijk dat Van der Leun en de leiding van de politie Haaglanden in oktober 2013 met elkaar hebben gesproken. Dit naar aanleiding van het verschijnen van het Amnesty-rapport en de voortdurende negatieve berichtgeving over de Haagse politie. Gezien Van der Leun’s lidmaatschap van de adviesraad van de politie Haaglanden kan men er vanuit gaan dat de lijnen kort zijn. Het ligt in de rede om te veronderstellen dat hierbij is afgesproken om het liggende Leidse (scriptie)onderzoek op te schalen tot een publiekelijk rapport.

De UvL heeft in oktober 2013 – al voorafgaand de publicatie van het Amnesty-rapport – al het een en ander afgestemd met de Nationale Politie. Op 28 oktober 2013 – de dag voor het verschijnen van het Amnesty-rapport – meldt Henk van Essen, lid van de korpsleiding van de Nationale Politie, in Nieuwsuur namelijk dat er een onderzoek van de UvL gaande is naar discriminatie onder Haagse politiemensen. De vraag die zich hier opdringt is: Hoe weet hij dat, en waarom zegt hij dit?

Van Essen was in het verleden korpschef van de politie Haaglanden en kan zich het onderzoek door de UvL wellicht herinneren, aangezien hij hier als lid van de korpsleiding in 2011 toestemming voor gaf. Hij weet dan echter ook dat het Leidse onderzoek volgens de in 2011 gemaakte afspraken primair voor interne doeleinden bestemd was. Dit maakt de uitspraken van Van Essen saillant. Op 28 oktober 2013 is er namelijk helemaal geen onderzoek gaande: de twee Leidse studenten hebben hun veldwerk en hun scripties inmiddels al afgerond.

Dit duidt erop dat de Nationale Politie en de UvL inmiddels (al voor 28 oktober 2013) nieuwe afspraken hebben gemaakt, als gevolg waarvan Van Essen het Leidse onderzoek nu publiekelijk kan noemen. De Nationale Politie wil naar het Leidse onderzoek verwijzen in haar reactie op het Amnesty rapport en de UvL gaat hiermee akkoord.

 

Nader onderzoek

In de Tweede Kamer komt het rapport van Amnesty International op 4 november 2013 – tijdens een Algemeen Overleg over de politie – aan de orde. PvdA-kamerlid Marcouch heeft een dag eerder Kamervragen gesteld, waarin hij verzoekt om een regeringsreactie op het Amnesty-rapport. Hij dringt hierin aan op nader onderzoek ‘naar etnische voorkeuren en vooroordelen en discriminerend gedrag’ bij de Nederlandse politie.

Marcouch pleit met name voor het verrichten van een kwantitatief onderzoek naar etnisch profileren. Dergelijk onderzoek is in Nederland nog niet verricht. Wel bestaan er al verschillende kwalitatieve onderzoeken naar etnisch profileren, met wisselende conclusies. Marcouch vraagt zich in de Kamer daarom af wat een nieuw kwalitatief onderzoek door de UvL aan de bestaande onderzoeken kan toevoegen.

De toenmalig minister van Veiligheid en Justitie Opstelten informeert de Kamer vervolgens onvolledig. Hij ontraadt de Kamer om een nieuw onderzoek naar etnisch profileren te laten doen. Wel maakt hij melding van een al lopend onderzoek van de UvL in Den Haag en Amsterdam. Hij suggereert de mogelijkheid van een kwantitatief onderzoek met de UvL te zullen bespreken en ‘om te bezien of het onderzoek van Leiden voor wat betreft de onderzoeksvragen aansluit bij de zorgen van de Kamer en in het voorjaar van 2014 terug te zullen koppelen over het onderzoek.’

Ondertussen lijkt het Ministerie van Veiligheid en Justitie in nauw contact te staan met de UvL. Tijdens het Algemeen Overleg op 4 november stuurt een ambtenaar per iphone het volgende bericht aan de UvL (namen zijn zwart gemaakt, maar het betreft waarschijnlijk Van der Leun of van der Woude): ‘Live in de Kamer nu Opstelten over etnisch profileren n.a.v. vragen Marcouch. Wellicht zijn jullie bij toeval bereikbaar. Vraag is: wie is de opdrachtgever van Den Haag?’

De UvL blijkt bereikbaar en beantwoordt de om 17.16 uur gestelde vraag om 17.30 uur (namelijk, dat het initiatief voor het onderzoek is genomen door de UvL). Het Ministerie van Veiligheid en Justitie geeft in antwoord op het WOB-verzoek overigens aan dat het ministerie pas op 4 november 2013 op de hoogte raakte van het bestaan van het onderzoek van de UvL. Dit antwoord valt moeilijk te plaatsen, gezien de hierboven beschreven communicatie van 4 november.

Opstelten zegt de Tweede Kamer dus op 4 november 2013 toe contact op te zullen nemen met de UvL. Op 14 november 2013 informeert hij de Kamer nader middels een Kamerbrief met de schriftelijke regeringsreactie op het rapport van Amnesty International. Hierin wordt (net als op 4 november) opnieuw melding gemaakt van lopend onderzoek van de UvL: ‘Het onderzoek in Den Haag wordt momenteel uitgevoerd door de UvL met medewerking van het gezag. Dit onderzoek zal in het voorjaar beschikbaar zijn.’.

 

Opstelten

Met deze Kamerbrief informeert Opstelten de Kamer onvolledig. Dit blijkt tevens uit een vergelijking van de Kamerbrief met een interne nota van het Ministerie van Veiligheid en Justitie van 12 november 2013. In deze nota informeren de V en J ambtenaren Opstelten als volgt: ‘De universiteit Leiden heeft het veldonderzoek reeds afgerond. Hierdoor is geen invloed meer mogelijk op de onderzoeksopdracht.’ In de Kamerbrief van 14 november 2013 wordt echter niet vermeld dat het veldwerk voor het onderzoek inmiddels is afgerond.

De interne nota van 12 november 2013 maakt bovendien gewag van een mogelijk kwantitatief onderzoek. De nota stelt: ‘Dit onderzoek [van de UvL] is ook kwalitatief van aard. Naar alle waarschijnlijkheid zal door de Kamer daarom wederom gevraagd worden om een aanvullend kwantitatief onderzoek. Hiervoor is reeds door de korpschef een verzoek ingediend bij de Politieacademie. Deze kunt u indien de situatie zich voordoet toezeggen. Wij betrekken hierin t.z.t. een onderzoeksbureau voor een zo onpartijdig mogelijke uitstraling van dit onderzoek.’

In de Kamerbrief van 14 november 2013 noemt Opstelten het voornemen voor een kwantitatief onderzoek echter niet. De interne nota waarschuwt Opstelten voor eventuele Kamervragen over de wenselijkheid van een kwantitatief onderzoek, maar de Kamer komt er niet meer op terug. Ook Marcouch niet, die twee weken eerder nog aandrong op een kwantitatief onderzoek. Opstelten besluit hierop om de Kamer niet actief te informeren over het voornemen voor een kwantitatief onderzoek.

Opstelten informeert de Kamer op 4 en 14 november 2013 dus niet volledig over de status van het onderzoek van de UvL. Hij heeft het over lopend onderzoek, maar hij verzwijgt dat het veldwerk al in 2012 heeft plaatsgevonden en dat het gaat om twee inmiddels afgeronde masterscripties criminologie.

De regering zal de Kamer in de hierop volgende maanden onvolledig blijven informeren. Op 10 januari 2014 schrijft Opstelten, in een schriftelijke beantwoording van Kamervragen van Marcouch, aan de Tweede Kamer: ‘momenteel voert de UvL met medewerking van het gezag onderzoek uit in Den Haag.’ Ook het Ministerie van Sociale Zaken heeft het op 24 januari 2014 in een kamerbrief, met de regeringsreactie op het rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau over ervaren discriminatie in Nederland, over lopend onderzoek naar etnisch profileren in Den Haag.

Opstelten suggereert op 4 november 2013 in de Kamer overigens dat de UvL onderzoek uitvoert in zowel Den Haag als Amsterdam. Dit is echter niet het geval: de UvL heeft geen onderzoek gedaan in Amsterdam. Op 14 november 2013 corrigeert Opstelten zichzelf en meldt de Kamer dat het onderzoek in Amsterdam reeds is afgerond. Hij lijkt hier dus te doelen op een al in 2012 gepubliceerd onderzoek van Sinan Çankaya (De controle van marsmannetjes en ander schorriemorrie) dat in opdracht van de politie Amsterdam-Amstelland is uitgevoerd. Çankaya is niet werkzaam voor de UvL.

 

Van Aartsen

In de gemeenteraad van Den Haag vindt eind 2013 een vergelijkbaar proces plaats als in de Tweede Kamer. Naar aanleiding van aanhoudende berichtgeving over politiegeweld en discriminatie door de Haagse politie, komt het onderwerp etnisch profileren eind 2013 regelmatig ter sprake in de lokale Haagse politiek. Op 7 november 2013 vragen de fracties van GroenLinks (GL) en de Partij van de Eenheid (PvdE) in de Haagse gemeenteraad daarom om een grootschalig onderzoek naar politiegeweld en discriminatie door de Haagse politie.

Burgemeester Van Aartsen toont zich hiervan geen voorstander. Hij maakt in de beantwoording van deze vragen melding van een – in zijn woorden – al lopend onderzoek door de UvL en stelt voor om hierop te zullen wachten. ‘Het is belangrijk om dat af te wachten voordat we verdere stappen ondernemen’, aldus Van Aartsen. Op 12 november 2013 informeert Van Aartsen in een brief de gemeenteraad onvolledig over de status van het onderzoek van de UvL. Hij heeft het over een lopend onderzoek, maar verzwijgt dat het om twee reeds afgeronde masterscripties gaat waarvoor het veldwerk al in 2012 is verricht.

Overigens heeft Van Aartsen het, in tegenstelling tot Opstelten, op 12 november 2013 nog steeds over onderzoek in zowel Den Haag als Amsterdam – hoewel er geen sprake is van een Amsterdams onderzoek door de UvL. In de Haagse gemeenteraad lijken er bij sommige partijen, met name bij GL en PvdE overigens twijfels te bestaan over het onderzoek van de UvL. Beide partijen roepen eind 2013 en begin 2014 enkele malen op tot een groot onafhankelijk onderzoek naar de Haagse politie, waarbij ook andere instanties dienen te worden betrokken.

 

III. De Universiteit van Leiden geeft ook geen openheid van zaken

Net als Opstelten en Van Aartsen is professor Joanne Van der Leun van de UvL in haar publieke optredens niet transparant over de totstandkoming van het Leidse onderzoek. Op 4 december 2013 is Van der Leun aanwezig bij een vergadering van de Haagse gemeenteraad om een korte toelichting te geven op haar onderzoek. Van der Leun vertelt de gemeenteraad dat zij het onderzoek ‘samen met collega’s’ heeft uitgevoerd, en dat het gaat om ‘grotendeels nog ongepubliceerd onderzoek.’

 

Zij vermeldt echter niet dat het onderzoek al anderhalf jaar geleden (in 2012) is uitgevoerd door twee studenten, dat zij zelf niet heeft deelgenomen aan het veldwerk, en dat het onderzoek berust op twee scripties. Tevens verzwijgt zij dat er vooraf afspraken zijn gemaakt met de politie Haaglanden om een mogelijk afbreukrisico te voorkomen vanwege de onwenselijkheid wanneer het onderzoek wijst op discriminatoir optreden door de Haagse politie. Van der Leun gaat tijdens deze gemeenteraadsvergadering nog niet uitgebreid inhoudelijk in op het onderzoek, maar loopt wel enigszins in op de conclusies door te zeggen: ‘als onderzoeker heb ik etnisch profileren zeker niet ervaren als een structurele kwestie.’

 

PvdE-gemeenteraadslid Van Doorn meldt tijdens deze vergadering dat hem ter ore is gekomen dat het onderzoek is verricht door een stagiaire dan wel student en vraagt aan Van Aartsen of dit waar is. Van der Leun heeft op dat moment de vergadering echter al verlaten en is niet in staat om zelf de vraag te beantwoorden. Van Aartsen zegt hierop de details van het Leidse onderzoek niet te kennen, wel noemt hij het ‘een volstrekt onafhankelijk onderzoek.’ Hij kondigt aan dat Van der Leun haar onderzoek in de Haagse gemeenteraad binnenkort uitgebreider zal komen toelichten.

Het is de bedoeling dat Van der Leun in de Haagse gemeenteraad op 6 februari 2014, tijdens een besloten commissievergadering van de commissie Bestuur, een nadere toelichting zal geven over het onderzoek. De PvdE-fractie maakt echter bezwaar tegen het besloten karakter van deze vergadering. De PvdE hecht sterk aan een openbare bespreking van het onderzoek, vanwege het maatschappelijke belang dat ermee gediend is. Hierop besluit de voorzitter van de commissie (VVD-raadslid Iris Michels-Spee) om de commissievergadering af te gelasten. Dit gebeurt zonder overleg met, en tegen de zin van, de overige raadsleden. Vervolgens vindt in de Haagse gemeenteraad tot juni 2014 geen communicatie meer plaats over het onderzoek.

Op 4 juni 2014 presenteert Van der Leun het onderzoek aan de Haagse gemeenteraad middels een powerpoint presentatie. Zij informeert de gemeenteraad hier wederom onvolledig over de totstandkoming en status van het Leidse onderzoek. Zij maakt wederom geen melding van de vooraf gemaakte afspraken met de politie Haaglanden. Zij meldt nu echter wel dat het veldwerk voor het onderzoek al in 2012 heeft plaatsgevonden, maar verzwijgt dat het door twee studenten is verricht ten behoeve van twee scripties.

Ook in haar onderzoeksrapport is de UvL niet transparant over de totstandkoming van het onderzoek. Het rapport laat onvermeld dat het onderzoek berust op twee masterscripties, maar geeft wel aan dat het veldwerk al in 2012 plaatsvond. Het rapport vermeldt: ‘Twee junior onderzoekers […] hebben in de periode maart tot en met juni 2012, gedurende vier maanden, in de werkgebieden van de drie politiebureaus data verzameld onder begeleiding van de overige auteurs van dit rapport.’

 

IV. Het Leidse rapport

 Het onderzoeksrapport van de UvL (Joanne Van der Leun, Maartje Van der Woude, Avalon Leupen, Rogier Vijverberg en Robin Vrijhoef: Etnisch profileren in Den Haag? Een verkennend onderzoek naar opvattingen en beslissingen op straat) is juni 2014 gereed. Het is gebaseerd op observatieonderzoek van politieoptredens, interviews met politieagenten en straatinterviews met jongeren over hun ervaringen met de politie. Het rapport concludeert dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren in Den Haag.

 

Op 4 juni 2014 presenteert professor Van der Leun het onderzoek in de Haagse gemeenteraad door middel van een powerpoint-presentatie. Het rapport is op dat moment nog niet openbaar gemaakt. De gemeenteraadsleden hebben het voorafgaand aan de presentatie dus nog niet kunnen lezen. Op 25 juni 2014 bespreekt de gemeenteraad het rapport nogmaals. Bij deze bijeenkomst is tevens een aantal andere deskundigen, wetenschappers en vertegenwoordigers van verschillende maatschappelijke organisaties aanwezig.

 

Het onderzoeksrapport roept vraagtekens op. Met name het observatieonderzoek en de beoordeling van de rechtvaardiging van politiecontroles, alsmede de interpretatie van de interviews met agenten aangaande hun percepties over het plaatsvinden van etnisch profileren zijn niet inzichtelijk. Buro Jansen & Janssen heeft in het WOB-verzoek bij de UvL daarom verzocht om de twee scripties en het onderliggende onderzoeksmateriaal openbaar te maken maar de UvL weigert dat.

 

Het observatieonderzoek

Het Leidse rapport beoogt een beoordeling te geven van de rechtvaardiging van politiecontroles en in hoeverre huidskleur en etnische afkomst hierin een rol spelen. Het  rapport hanteert hiertoe de volgende vraagstelling: ‘In hoeverre kunnen beslissingen van agenten om in concrete situaties te handelen worden gerechtvaardigd in die situatie en welke rol spelen etniciteit en/of huidskleur daarbinnen.’ Het observatieonderzoek is niet systematisch uitgevoerd, de wijze waarop de rechtvaardiging van politiecontroles in het rapport wordt beoordeeld is weinig inzichtelijk, en er is nauwelijks gevraagd naar de overwegingen van politieagenten bij de keuze welke personen te controleren.

Blijkens het rapport hebben de twee junior-onderzoekers (het rapport vermeldt niet dat het twee masterstudenten criminologie betreft) gedurende een periode van vier maanden 153 uur meegelopen met 17 politiediensten. Het observatieonderzoek berust op de analyse van zestig geobserveerde politiecontroles waarbij agenten op grond van hun discretionaire bevoegdheden overgaan tot een controle of staandehouding.

Er wordt geconcludeerd dat de meeste geobserveerde politiecontroles gerechtvaardigd kunnen worden. Drie van de geobserveerde zestig controles werden mede ingegeven door iemands huidskleur en etnische afkomst, zonder dat dit gerechtvaardigd kon worden. De wijze waarop de rechtvaardiging van politiecontroles in het Leidse rapport wordt beoordeeld, is niet inzichtelijk: ‘Het gaat er hierbij om te bezien in hoeverre geobserveerde beslissingen agenten tijdens hun dienst in de ogen van de onderzoekers objectief en redelijk gerechtvaardigd kunnen worden.’ In het rapport wordt veelal echter niet inzichtelijk gemaakt waarop de onderzoekers hun beoordeling baseren: meestal op concrete gedragingen, informatie of situationele omstandigheden. De onderzoekers stellen herhaaldelijk dat zij niet de indruk hebben dat huidskleur en etniciteit een rol spelen bij de beslissing van agenten welke personen te controleren. Het rapport maakt echter niet inzichtelijk waarom de onderzoekers deze indruk hebben, en op grond waarvan zij dit concluderen: ‘de gebeurtenissen [zijn] tijdens de diensten op een redelijk ‘vrije’ manier geobserveerd.’

Tijdens het observatieonderzoek hebben de twee studenten nauwelijks gevraagd naar de overwegingen van politieagenten bij de keuze welke personen te controleren. Het rapport stelt: ‘Ten eerste gaat het om een analyse van wat onderzoekers hebben gezien of gehoord. In een aantal gevallen hebben agenten hun handelen ook expliciet nader verklaard.’ Het rapport maakt echter niet duidelijk in hoeveel gevallen naar de overwegingen van betrokken agenten is gevraagd.

Het niet systematisch vragen naar hun overwegingen is opmerkelijk, mede daar de UvL als belangrijke tekortkoming van andere wetenschappelijke onderzoeken naar etnisch profileren beschouwt ‘dat er in concrete interacties, beslissingen en afwegingen daarbinnen geen zicht is op de rechtvaardiging van staandehoudingen, hetgeen essentieel is bij de vraag of over etnisch profileren gesproken kan en mag worden.’

Het Leidse observatieonderzoek is niet gebaseerd op een systematische beoordeling van de rechtvaardiging van politiecontroles: ‘Gezien het karakter van de diensten en de intensiviteit van het onderzoek was het niet mogelijk bij elke handeling van agenten gestructureerd te vragen waarom zij handelden.’ Dat het Leidse rapport niet berust op systematisch observatieonderzoek wordt door de UvL nog explicieter verwoord in een concept-wetenschappelijk artikel van de UvL. (Van der Leun, Leupen, Vijverberg en Vrijhoef: Even een praatje pot maken? Alledaagse beslissingen van politieagenten op straat en de rol van etniciteit, 24-12-13)

In dit artikel stelt de UvL dat er geen systematisch observatieonderzoek is uitgevoerd: ‘Er is niet op systematische manier bij iedere interactie gevraagd en geteld wat er gebeurt tussen waarneming en het toepassen van een bevoegdheid.’ in het betreffende artikel wordt hier aan toegevoegd: ‘een voortzetting met meer gestructureerde observaties […] ligt daarom in de rede.’ (Dit artikel is niet gepubliceerd, maar door de politie Haaglanden openbaar gemaakt in antwoord op het WOB-verzoek van Buro Jansen & Janssen).

 

Juridische context

Het Leidse onderzoek gaat niet in op de juridische context van het geobserveerde politieoptreden. In het onderzoeksrapport wordt geheel buiten beschouwing gelaten op grond van welke (wettelijke) bevoegdheden de politieagenten handelen. Dit is opmerkelijk, zeker daar het Instituut voor Strafrecht & Criminologie deel uitmaakt van de Leidse Faculteit der Rechtsgeleerdheid.

Van der Leun wordt op 25 juni 2014 in de Haagse gemeenteraadsbijeenkomst bevraagd over het niet betrekken van de juridische context in het onderzoek. Van der Leun verklaart onder meer: ,,Het kijken naar objectieve rechtvaardiging hebben we niet puur juridisch gedaan. Dat is waar.” […] ,,Ik denk dat het voor zich spreekt dat we daarbij ook hebben gekeken of het binnen de bevoegdheden is. We hadden niet voor niks een jurist aan boord. Maar we vinden dat niet de centrale manier om deze discussie te voeren.”

 

Van der Leun claimt hier dus dat de juridische context van het politieoptreden wel degelijk is meegewogen in het onderzoek. Dit blijkt echter op geen enkele manier uit het Leidse rapport. Hierin wordt zelfs expliciet gesteld dat situaties niet juridisch zijn getoetst en dat ‘moet worden benadrukt dat niet is onderzocht op grond van welke bevoegdheden agenten precies hebben gehandeld en dat situaties niet juridisch zijn getoetst.’ De bewering van Van der Leun dat er ,,een jurist aan boord” was, valt moeilijk te plaatsen. De twee studenten die in 2012 het veldwerk verrichtten, zijn (blijkens hun LinkedIn-account) namelijk geen jurist, maar criminoloog.

Van de opstellers van het rapport is alleen Van der Woude jurist, en hiermee dus ‘aan boord’. Het is echter onduidelijk hoe zij de juridische context van het geobserveerde politieoptreden heeft kunnen beoordelen. Zij heeft zich namelijk pas eind 2013 (anderhalf jaar nadat het veldwerk werd uitgevoerd) kunnen buigen over de juridische context van de door de studenten geobserveerde staandehoudingen.

 

Ervaringskennis

In het Leidse rapport blijft onduidelijk in hoeverre politieagenten zich bij de keuze welke personen te controleren baseren op het algemene feit dat bepaalde etnische minderheden oververtegenwoordigd zijn in bepaalde vormen van criminaliteit. Bovendien wordt niet duidelijk gemaakt of de onderzoekers deze oververtegenwoordiging als een rechtvaardiging voor een controle, of als etnisch profileren, beoordelen.

Er wordt regelmatig gerefereerd aan de ervaringskennis van politieagenten. In de wetenschappelijke literatuur over de politie spelen de begrippen ervaringskennis en professionele intuïtie een belangrijke rol. Hieruit is bekend dat de professionele intuïtie van politieagenten niet op voorhand onderschat hoeft te worden, maar dat ervaringskennis en professionele intuïtie kunnen berusten op persoonlijke voorkeuren en (mogelijk onbewuste) vooroordelen over etnische minderheden.

In het rapport wordt de indruk gewekt dat de oververtegenwoordiging van etnische minderheden in bepaalde vormen van criminaliteit voor de Haagse agenten een relevante bron van ervaringskennis vormt, en een belangrijke rol speelt in de overwegingen bij de keuze welke personen te controleren. Het rapport maakt echter niet inzichtelijk welke rol deze ervaringskennis precies speelt, en het blijft veelal onduidelijk of agenten hun controle baseren op algemene informatie over oververtegenwoordiging, of op concrete actuele informatie zoals dadersignalementen. Het is dus veelal onduidelijk in hoeverre de Haagse politie (bijvoorbeeld) Marokkaans-Nederlandse jongeren controleert, omdat Marokkaans-Nederlandse jongeren nu eenmaal oververtegenwoordigd zijn in de criminaliteitsstatistieken, maar zonder dat er een verdere concrete geïndividualiseerde aanleiding of rechtvaardiging voor een controle bestaat.

Het Leidse rapport bevat verschillende passages, die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, zoals: ‘Een belangrijke complicatie bij beslissingen in de praktijk wordt gevormd door hoge criminaliteitscijfers van bepaalde groepen die als ervaringskennis dienen om meer te letten op personen met een (bepaalde) migrantenachtergrond. Dat het zo werkt komt ook naar voren uit de interviews met politieagenten’ En: ‘Het sociale feit van de criminele oververtegenwoordiging van bepaalde groepen met een migrantenachtergrond een grote rol speelt voor een aantal politiefunctionarissen.’ En: ‘Er lijkt sprake te zijn van een deels versluierde objectieve invulling van de professionele intuïtie.’

Evenmin wordt duidelijk hoe een controle op basis van dergelijke algemene ervaringskennis (de oververtegenwoordiging van etnische minderheden in bepaalde vormen van criminaliteit) wordt beoordeeld. Beschouwt de UvL dit als een controle waarvoor geen objectieve rechtvaardiging bestaat, en die dus als etnisch profileren aangemerkt moet worden? Of beschouwt men dit als een controle die gerechtvaardigd kan worden, en dus niet als etnisch profileren aangemerkt hoeft te worden?

 

In het inleidende hoofdstuk van het rapport wordt dit als een grijs gebied benoemd: ‘In de wetenschappelijke literatuur wordt veel minder ingegaan op de vraag of bekende criminaliteitspatronen ook een rechtvaardiging kunnen en mogen zijn. Dit lijkt een grijs gebied, dat meer aandacht behoeft.’

De conclusie van het rapport draagt verder bij aan deze onduidelijkheid: ‘Een belangrijke complicatie bij beslissingen in de praktijk wordt gevormd door hoge criminaliteitscijfers van bepaalde groepen die als ervaringskennis dienen om meer te letten op personen met een (bepaalde) migrantenachtergrond. Het is goed denkbaar dat veel leden van dezelfde groepen in dezelfde wijken ten onrechte worden gecontroleerd als deze ervaringskennis te zwaar gewogen wordt.’

Het wordt niet duidelijk of ‘ten onrechte controleren’ beoordeeld wordt als etnisch profileren. Bovendien werkt de zinsnede ‘het is goed denkbaar’ verwarrend: het blijft hiermee onduidelijk of agenten dergelijke ervaringskennis te zwaar meewegen, of dat dit – op basis van het onderzoek – slechts ‘goed denkbaar’ wordt geacht. Wanneer dat laatste het geval is, dringt zich echter de vraag op wat de UvL onderzocht heeft: het plaatsvinden van etnisch profileren, of het goed denkbaar vinden dat etnisch profileren plaatsvindt?

Het rapport vervolgt: ‘Zelfs al is het zo dat de politie op grond van ervaringskennis of criminaliteitspatronen vaker terecht iemand staande houdt, het aantal onterecht staande gehouden personen wordt daarmee ook onaanvaardbaar hoog. Het vormt ook een waarschuwing tegen al te gemakkelijk ‘crimineel profileren’ waarvan politiefunctionarissen niet zozeer de nadelen benoemen.’

Met de zinsnede ‘zelfs al is het zo’ blijft het onduidelijk of uit het onderzoek is gebleken dat agenten op basis van ervaringskennis terecht personen staande houden, of dat dit niet het geval is. Het rapport wekt hier bovendien de indruk dat politieagenten ‘al te gemakkelijk crimineel profileren’.  Er wordt echter niet duidelijk gemaakt hoeveel agenten ‘al te gemakkelijk crimineel profileren’, en evenmin of dit wordt beoordeeld als etnisch profileren.

 

Interviews met politieagenten

De UvL beoogt ook de percepties van politieagenten over het plaatsvinden van etnisch profileren te onderzoeken. Hiertoe wordt als onderzoeksvraag gehanteerd: Welke opvattingen hebben politiefunctionarissen over etnisch profileren? De beantwoording van een stelling over het plaatsvinden van etnisch profileren door 33 Haagse agenten duidt erop dat de meesten van mening zijn dat etnisch profileren vaak plaatsvindt. In het rapport wordt de beantwoording van de stelling echter op een andere wijze geïnterpreteerd.

De twee studenten hebben interviews gehouden met 31 agenten (met wie tijdens de politiediensten is meegelopen), zes wijkagenten en twee diversiteitsdeskundigen. Aan 33 agenten (de bovengenoemde 31 agenten plus twee wijkagenten) werd de volgende stelling voorgelegd: ‘Er wordt gezegd dat sommige politieagenten mensen van bepaalde etnische groepen staande houden omdat zij denken dat deze groepen eerder bepaalde vormen van criminaliteit plegen dan andere groepen.’ Dit werd door 21 agenten beaamd. De vraag of men denkt dat dit veel voorkomt, werd door 10 agenten bevestigend beantwoord. Maar de vraag of men denkt dat dit niet veel voorkomt, werd door twee agenten bevestigend beantwoord.

De conclusie lijkt hier gerechtvaardigd dat de antwoorden aanleiding geven te veronderstellen dat etnisch profileren op een aanzienlijke schaal plaatsvindt. De UvL onderkent dit en stelt: ‘Op het eerste gezicht lijken deze percepties in tegenspraak met de observaties, die weinig aanwijzingen voor etnisch profileren lieten zien.’ Vervolgens geeft de UvL echter aan een andere interpretatie aan de antwoorden op de stelling te geven. ‘Een blik op de toelichtingen bij deze vragen en andere relevante uitspraken van achttien agenten, zes wijkagenten en twee diversiteitsdeskundigen plaatst deze antwoorden in perspectief en maakt tevens duidelijk dat uit de toelichtingen relativering en nuance blijkt.’

De UvL-interpretatie van de antwoorden op de stelling is dus: de antwoorden van de 33 agenten vormen geen aanwijzing voor het plaatsvinden van etnisch profileren en het merendeel van de geïnterviewde agenten denkt niet dat etnisch profileren voorkomt. Het rapport bevat geen inzichtelijke onderbouwing van deze interpretatie. De ‘blik op de toelichtingen bij deze vragen’ maakt niet duidelijk om hoeveel toelichtingen het gaat. In het rapport worden weliswaar enige uitspraken van agenten geciteerd, maar er wordt niet aangegeven hoeveel uitspraken de interpretatie van de onderzoekers onderbouwen, en hoeveel dit niet doen. Er wordt naar andere relevante uitspraken van 18 agenten verwezen, hetgeen impliceert dat de interviews met de overige 15 agenten verder buiten beschouwing worden gelaten. Het is hiermee onduidelijk in hoeverre de betreffende uitspraken van de 18 agenten representatief zijn voor alle 33 geïnterviewden.

 

Inhoudelijke verklaringen

Er worden drie inhoudelijke verklaringen gegeven op de vraag waarom de beantwoording van de stelling door de 33 geïnterviewde agenten niet als aanwijzing kan worden opgevat voor het plaatsvinden van etnisch profileren. Deze verklaringen zijn niet inzichtelijk.

Ten eerste duiden de antwoorden op de stelling er volgens de onderzoekers op dat een aantal agenten de vraagstelling niet goed begrepen heeft. ‘Een aantal politieagenten (ook) van etnisch profileren spreken wanneer relatief veel personen met een migrantenachtergrond worden staande gehouden, omdat die nu eenmaal een groot aandeel van de bevolking uitmaken in bepaalde wijken.’ In dit geval is er – volgens de onderzoekers – geen sprake van etnisch profileren. ‘Een aantal agenten’ heeft de vraagstelling niet goed begrepen, maar er wordt niet duidelijk gemaakt hoeveel agenten de vraagstelling dan niet goed begrepen hebben.

 

Men kan zich bovendien afvragen of – wanneer een aantal agenten de stelling niet goed begrepen zou hebben – de stelling überhaupt voldoende duidelijk is geformuleerd. Dit roept vragen op over de validiteit van het onderzoek: wanneer de stelling onduidelijk was voor de respondenten, is het de vraag in hoeverre er de onderzoekers betrouwbare conclusies kunnen trekken op basis van de antwoorden van de respondenten.

Ten tweede duiden de antwoorden van de agenten er volgens de onderzoekers op dat het onderwerp etnisch profileren leeft binnen de Haagse politie, omdat de geïnterviewden hierover door jongvolwassenen op zijn aangesproken. Aan de 33 agenten is tevens gevraagd of zij denken dat jongvolwassenen denken dat etnisch profileren veel voorkomt, hetgeen door de meerderheid bevestigend werd beantwoord. Er wordt echter niet duidelijk gemaakt waarom deze uitkomst de herinterpretatie van de antwoorden van de geïnterviewden zou onderbouwen.

Ten derde stellen de onderzoekers dat politieagenten nu eenmaal altijd tot op zekere hoogte profileren. ‘Dat wijst op het grijze gebied dat we signaleerden in de definitie van etnisch profileren. Agenten profileren altijd tot op zekere hoogte in hun werk.’ Er wordt niet duidelijk gemaakt wat de relevantie is van deze interpretatie. De constatering dat agenten tot op zekere hoogte profileren, wekt bevreemding. Het gaat er immers om in hoeverre het ‘op zekere hoogte profileren’ sprake is door de UvL als etnisch profileren wordt beoordeeld.

 

‘Weinig kritische houding’

De UvL gaat ook in dit deel van het rapport ook in op de rol van ervaringskennis (de oververtegenwoordiging van bepaalde etnische minderheden in bepaalde vormen van criminaliteit) als rechtvaardiging voor een politiecontrole. Ook hier wordt niet duidelijk gemaakt in hoeverre het meewegen van dergelijke ervaringskennis als een objectieve rechtvaardiging voor een controle, of als etnisch profileren, wordt beoordeeld.

Volgens het rapport neemt ‘een deel van de respondenten […] een weinig kritische houding tegenover het meewegen hiervan bij het nemen van beslissingen op straat,’ De verwijzing naar ‘een deel van de respondenten’ maakt niet duidelijk hoeveel van de geïnterviewde agenten een dergelijke ‘weinig kritische houding’ aannemen. Tevens is het onduidelijk of het aannemen van een weinig kritische houding als etnisch profileren wordt beoordeeld: ‘Dit betekent niet per se dat ze etnisch profileren, maar het is wel een punt van aandacht.’

De onderzoekers stellen voorts dat ‘enkele respondenten van mening (zijn) dat sommige van hun collega’s wel eens te makkelijk actie ondernemen bij personen met een migrantenachtergrond.’ Door te spreken over ‘enkele respondenten’ blijft wederom onduidelijk hoeveel van de geïnterviewde agenten deze mening zijn toegedaan. Deze informatie lijkt echter wel degelijk relevant voor het maken een analyse van het plaatsvinden van etnisch profileren, zeker daar deze agenten over hun collega’s spreken.

Het is tevens onduidelijk wat bedoeld wordt met ‘te makkelijk actie ondernemen bij personen met een migrantenachtergrond’, en of dit als etnisch profileren wordt beoordeeld. Men geeft de volgende toelichting: ‘dit komt wel overeen met het begrip etnisch profileren zoals dat in onderzoeken wordt gedefinieerd.’ De verwijzing naar definities in andere onderzoeken is verwarrend, aangezien het niet zozeer relevant is of het ‘te gemakkelijk actie ondernemen’ overeenkomt met in andere onderzoeken gehanteerde definities van etnisch profileren. Het is met name relevant hoe de UvL het ‘te gemakkelijk actie ondernemen’ in haar eigen onderzoek beoordeelt, en of men dit als zijnde etnisch profileren beoordeelt. Dit wordt in het rapport echter niet duidelijk.

 

Ontvangst van het rapport

Uit het onderzoek van de UvL wordt de conclusie getrokken dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren in Den Haag. De analyse roept echter vraagtekens op. Het observatieonderzoek is niet systematisch uitgevoerd. De beoordeling van de rechtvaardiging van politiecontroles is weinig inzichtelijk, waarbij nauwelijks is gevraagd naar de overwegingen van agenten bij de keuze welke personen te controleren.Het blijft onduidelijk in hoeverre agenten etnische minderheden controleren op basis van het algemene feit dat zij oververtegenwoordigd zijn in bepaalde vormen van criminaliteit. Bovendien maken de onderzoekers niet duidelijk in hoeverre deze oververtegenwoordiging als een rechtvaardiging of als etnisch profileren wordt beoordeeld. De beantwoording van de stelling over het plaatsvinden van etnisch profileren door 33 Haagse politieagenten duidt erop dat de meesten van mening zijn dat etnisch profileren vaak plaatsvindt. In het rapport wordt hier echter een andere weinig inzichtelijke interpretatie aan gegeven.

Op 25 juni 2014 geeft Van der Leun een toelichting op het onderzoek tijdens een bijeenkomst in de Haagse gemeenteraad. Hierbij zijn ook andere wetenschappers en deskundigen aanwezig. De aanwezige wetenschappers plaatsen vraagtekens bij de wijze waarop de UvL het etnisch profileren in Den Haag heeft onderzocht, met name bij het observatieonderzoek en de wijze waarop de rechtvaardiging van politiecontroles is beoordeeld. De aanwezigen zijn niet op de hoogte van de gemaakte afspraken tussen de UvL en de politie Haaglanden en het feit dat het onderzoek berust op twee masterscripties.

Van der Leun geeft aanvankelijk aan ,,geen behoefte te hebben om weer op methodologische en definitie kwesties in te gaan” en zij voegt hieraan toe: ,,Ik wilde er niet al teveel een methodologische discussie van maken, aangezien we ook verder moeten.” Aangezien er tijdens de bijeenkomst meerdere vragen werden gesteld over het observatieonderzoek, ontstond er echter toch een discussie over de gehanteerde methodologie en de wijze waarop de rechtvaardiging van de geobserveerde politiecontroles in het rapport beoordeeld is.

De toelichting van Van der Leun neemt de vraagtekens bij de aanwezigen echter niet weg. Emeritus hoogleraar Criminologie Frank Bovenkerk concludeert na afloop: ,,Na dit onderzoek weten we nog steeds niet of de politie etnisch profileert.” [TV Omroep West, 25-06-14]

 

V. Politiek gebruik van het rapport

De overheid zal in 2014 en 2015 regelmatig naar het onderzoek van de UvL verwijzen. Zoals door de Haagse burgemeester Van Aartsen in reactie op nieuwe berichten en aantijgingen over discriminatie door de politie van diens korps Haaglanden. Het Ministerie van Veiligheid en Justitie concludeert in een Kamerbrief van 8 juli 2014 dat het Leidse onderzoek niet wijst op stelselmatige discriminerende profilering door de Nederlandse politie en dat nader onderzoek naar etnisch profileren daarom niet meer nodig is: ‘Gelet op het rapport van de UvL in het bijzonder acht ik nader onderzoek op dit momenteel niet noodzakelijk’, aldus voormalig minister Opstelten.

In de Tweede Kamer bestond in november 2013 nog enige aandacht voor het onderwerp, maar na de publicatie van het Leidse rapport het jaar daarop leek de politiek haar belangstelling voor het onderwerp grotendeels te hebben verloren. Het rapport (en de regeringsreactie hierop) wordt geagendeerd op de lijst van te bespreken onderwerpen voor de vaste Kamercommissie voor Veiligheid en Justitie van 17 november 2014. Het komt echter niet meer aan de orde. Geen van de Kamerleden heeft er nog vragen over.

De invloed van het rapport van de UvL blijkt nog het meest evident in de regeringsreactie op de aanbevelingen van het VN-comité tegen rassendiscriminatie (CERD). De regering schrijft hierin dat in beschikbare wetenschappelijke onderzoeken geen aanwijzingen zijn gevonden voor structureel etnisch profileren en dat ‘politieoptreden in veruit de grote meerderheid van de situaties goed te rechtvaardigen [is] op grond van concrete gedragingen, informatie of situationele omstandigheden.’

Deze laatste zin blijkt letterlijk te zijn overgenomen uit het Leidse rapport, waarin op pg. 40 wordt gemeld: ‘De observaties laten zien dat er weliswaar veel personen met een migrantenachtergrond worden benaderd door de politie, maar ook dat het politieoptreden in veruit de grote meerderheid van de situaties goed te rechtvaardigen is op grond van concrete gedragingen, informatie of situationele omstandigheden.’

 

VI. Conclusie

Het onderzoek van de Universiteit van Leiden naar etnisch profileren in Den Haag, en de totstandkoming hiervan roepen vragen op. De wetenschappelijke onafhankelijkheid en wetenschappelijke transparantie zijn in het geding. Zowel de Tweede Kamer als de Haagse gemeenteraad zijn onjuist geïnformeerd over de opzet, totstandkoming en inhoud van het onderzoek.

Naar aanleiding van het Amnesty-rapport verzoekt de Tweede Kamer het Ministerie van Veiligheid en Justitie en de Nationale Politie om onderzoek te laten verrichten. Tevens krijgen de burgemeester en politie van Den Haag eenzelfde opdracht vanuit de Haagse gemeenteraad vanwege vermeend discriminatoir gedrag van agenten. In november 2013 zeggen Opstelten en Van Aartsen een onderzoek toe naar etnisch profileren in Den Haag door de UvL.

Het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Haagse gemeentebestuur, de politie en de UvL hebben nooit openheid van zaken gegeven over de totstandkoming van het onderzoek. Voorafgaand eraan maakten de UvL en de politie Haaglanden in 2011 afspraken om een mogelijk afbreukrisico voor de Haagse politie te voorkomen. De politie Haaglanden signaleerde een mogelijk afbreukrisico wanneer het onderzoek zou wijzen op mogelijke discriminatie door de Haagse politie. Van der Leun gaf aan de onwenselijkheid hiervan te onderkennen. De politie Haaglanden en de UvL spraken af dat Van der Leun hierop zou letten tijdens de voortgang van het onderzoek. Het rapport van de UvL berust op twee masterscripties criminologie. Twee masterstudenten verrichtten hun veldwerk in 2012 en rondden hun scripties in augustus 2013 af.

De UvL heeft nooit openheid van zaken gegeven over de totstandkoming van het onderzoek. Van der Leun gaf zowel op 4 december 2013, als op 4 juni 2014 en 25 juni 2014 een toelichting op het onderzoek in de Haagse gemeenteraad. Ze maakte hier geen melding van de afspraken met de politie Haaglanden om een mogelijk afbreukrisico van het onderzoek te voorkomen en verzwijgt dat het rapport van de Universiteit Leiden berust op onderzoek dat is verricht ten behoeve van twee reeds afgeronde masterscripties criminologie. Ook in het Leidse rapport van 2014 wordt geen openheid van zaken gegeven over de totstandkoming van het onderzoek.

De gemaakte afspraken tussen de UvL en de politie Haaglanden en het feit dat het onderzoek berust op twee scripties werpen tevens een ander licht op de inhoud en de conclusies van het Leidse rapport. De onderzoekers concluderen dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren. De analyse roept echter vragen op en is op verschillende onderdelen niet inzichtelijk.

Voorafgaand aan het onderzoek signaleerden de UvL en de politie Haaglanden immers een afbreukrisico en vonden zij het onwenselijk wanneer het onderzoek zou wijzen op mogelijke discriminatoir gedrag door de Haagse politie. Het ligt in de rede om te veronderstellen dat dit van grote invloed is geweest op de analyse, interpretaties, en conclusies van het onderzoek. De analyse is op verschillende punten weinig of niet inzichtelijk.

Het observatieonderzoek berust niet op een systematische beoordeling van de rechtvaardiging van politiecontroles. Die berust namelijk op de inschatting van de onderzoekers waarbij het veelal niet inzichtelijk is waarop deze inschatting is gebaseerd en waarbij er nauwelijks is gevraagd naar de overwegingen van de bij het onderzoek betrokken agenten voor hun keuze welke personen te controleren. Het rapport maakt niet inzichtelijk in hoeverre betrokken agenten zich bij controles baseren op het algemene feit dat bepaalde etnische minderheden oververtegenwoordigd zijn in bepaalde vormen van criminaliteit. Het is bovendien onduidelijk of dat gegeven als een rechtvaardiging voor een controle of als etnisch profileren wordt beoordeeld.

De beantwoording van een stelling over het plaatsvinden van etnisch profileren door 33 Haagse politieagenten duidt erop dat de meesten van mening zijn dat etnisch profileren vaak plaatsvindt. In het rapport echter worden de antwoorden op een andere niet inzichtelijke manier geïnterpreteerd. Volgens de onderzoekers heeft een aantal agenten de stelling niet goed begrepen, maar dit wordt niet inzichtelijk gemaakt.

De wetenschappelijke onafhankelijkheid van het onderzoek van de UvL is hierbij in het geding. Onderzoeksleider professor Joanne van der Leun was tijdens het onderzoek tevens lid adviesraad politie Haaglanden. Dit staat op zichzelf geen onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek in de weg, maar de politie Haaglanden heeft zichzelf invloed verkregen door met Van der Leun in 2011 af te spreken dat het onwenselijk is indien het eindresultaat zou wijzen op discriminatoir gedrag door de Haagse politie.

De titel van het onderzoeksvoorstel dat de UvL in 2011 indiende bij de politie Haaglanden is in dit verband illustratief. De universiteit noemde dit namelijk geen onderzoeksvoorstel, maar een ‘voorstel tot samenwerking’. Onderzoek naar de politie, en samenwerking tussen de universiteit en de politie: het zijn twee verschillende dingen, met te verwachten verschillende uitkomsten.

De wetenschappelijke transparantie is in het geding. De UvL heeft nooit openheid van zaken gegeven over de totstandkoming van het onderzoek en heeft de gemaakte afspraken met de politie Haaglanden, plus het feit dat het onderzoek berust op twee scripties, verzwegen. De analyse is op verschillende punten weinig of niet inzichtelijk. Het verzwijgen van de afspraken met de politie Haaglanden en dat de inhoud van het onderzoek berust op twee scripties, draagt niet bij aan de inzichtelijkheid van het rapport. Het is evident dat een transparant onderzoek naar het plaatsvinden van etnisch profileren bemoeilijkt wordt door vooraf af te spreken dat het onwenselijk is wanneer het onderzoek zal wijzen op discriminatie.

Buro Jansen & Janssen heeft in juli 2015 door middel van een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de politie Haaglanden, het Openbaar Ministerie, en de UvL verzocht om openbaarmaking van de twee scripties, het onderliggende onderzoeksmateriaal (zoals de veldwerkaantekening en de transcripties van de interviews met politieagenten) en andere documenten rond de totstandkoming van het onderzoek. Het Ministerie en de politie Haaglanden hebben hierop enige onderliggende stukken, met name interne e-mails en notities, openbaar gemaakt, maar niet de twee scripties.

De UvL heeft – behoudens het bij de politie Haaglanden in 2011 ingediende onderzoeksvoorstel – geen documenten openbaar gemaakt. De UvL weigert de twee scripties openbaar te maken, alsmede het onderliggende onderzoeksmateriaal. Door het niet openbaar maken van de twee scripties is het niet mogelijk om de inhoud van het Leidse rapport ermee te vergelijken. Het blijft hiermee onder meer onduidelijk in hoeverre de onderzoeksvragen van de scripties overeenkomen met de in het Leidse rapport van 2014 gehanteerde onderzoeksvragen.

Met het niet openbaar maken van het onderliggende onderzoeksmateriaal blijft het onduidelijk in hoeverre de gemaakte afspraken tot aanpassingen van de scripties door Van der Leun hebben geleid, welke onderzoeksresultaten en bevindingen mogelijk niet, of in aangepaste vorm, in de scripties – en later in het Leidse rapport – zijn opgenomen.

In december 2015 heeft Buro Jansen & Janssen bij de UvL bezwaar aangetekend tegen de afwijzing op het WOB verzoek. In maart 2016 weigert de UvL echter ook na bezwaar om de twee scripties, en het onderliggende onderzoeksmateriaal van het rapport, openbaar te maken. Hiermee houdt de UvL het gebrek aan wetenschappelijke transparantie in stand.

Het artikel op de website van Buro Jansen & Janssen

En het artikel als pdf

Observant 68, 25 april 2016, Buro Jansen & Janssen

 Besluit universiteit van Leiden Wob etnisch profileren onderzoek

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/unileidenbesluitonderzoeketnischprofileren.pdf

Besluit op bezwaar universiteit van Leiden Wob etnisch profileren onderzoek

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/unileidenbesluitopbezwaaretnischprofileren.pdf

Besluit openbaar ministerie Wob  etnisch profileren onderzoek Leiden

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/ombesluitetnischprofilerenonderzoekpoleidens.pdf

Besluit politie Wob  etnisch profileren onderzoek Leiden

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/politiebesluitetnischprofilerenonderzoekleidenenstukkend.pdf

Besluit op bezwaar politie Wob  etnisch profileren onderzoek Leiden

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/politiebesluitopbezwaaretnischprofilerenonderzoek.pdf

Besluit Ministerie van Veiligheid en Justitie Wob etnisch profileren onderzoek Leiden

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/minvenjetnischprofilerenonderzoekleidenbesluitenstukken.pdf

Besluit op bezwaar Ministerie van Veiligheid en Justitie Wob etnisch profileren onderzoek Leiden

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/minvenjbeslissingopbezwaaretnischprofilerenonderzoekleiden.pdf

 Amnesty International (2013). Proactief politieoptreden vormt risico voor mensenrechten. Etnisch profileren onderkennen en aanpakken.

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/proactiefoptredenvormtrisicovoormensenrechten.pdf

Frank Bovenkerk (2014). Etnisch profileren. De Gids. 2 november 2014.

http://www.de-gids.nl/artikel/etnisch-profileren/

Sinan Çankaya (2014). Verkeerde aanpak onderzoek naar racisme bij Haagse politie www.joop.nl 20 juli 2014

http://www.joop.nl/opinies/verkeerde-aanpak-onderzoek-naar-racisme-bij-haagse-politie

Joanne Van der Leun, Maartje Van der Woude, Avalon  Leupen,  Rogier Vijverberg en Robin Vrijhoef (2014): Etnisch profileren in Den Haag ? Een verkennend onderzoek naar opvattingen en beslissingen op straat.

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/EtnischprofilereninDenHaagEenverkennendonderzoek.pdf

Maartje van der Woude en Joanne van der Leun (2013). De Nederlandse veiligheidscultuur als katalysator voor etnisch profileren. In: Tijdschrift over Cultuur & Criminaliteit 2013 (3) 2, pp. 123-236

http://respubca.home.xs4all.nl/pdf/DeNederlandseveiligheidscultuuralskatalysatorvooretnischprofileren.pdf

‘Haagse burgemeester: geweld geen structureel probleem’, Omroep West, 7 november 2013.

http://www.omroepwest.nl/nieuws/2371760/Haagse-burgemeester-Geweld-politie-geen-structureel-probleem

‘Bijeenkomst over discriminatie bij de politie afgeblazen door commotie’, Omroep West, 4 februari 2014.

http://www.omroepwest.nl/nieuws/2453409/Bijeenkomst-over-discriminatie-bij-de-politie-afgeblazen-na-commotie

‘Je kunt niet concluderen dat er niet wordt gediscrimineerd door de politie’, Omroep West, 25 juni 2014.

http://www.omroepwest.nl/nieuws/2594729/Je-kunt-niet-concluderen-dat-er-niet-wordt-gediscrimineerd-door-de-politie

“Is de politie nu wel of niet schuldig aan etnisch profileren”, Zaman Vandaag, 4 juli 2014.

http://www.zamanvandaag.nl/nieuws/binnenland/5486/de-politie-nu-wel-niet-schuldig-aan-etnisch-profileren

Apr 282016
 

Het in 2014 verschenen onderzoek van de Universiteit van Leiden naar etnisch profileren in Den Haag, en de totstandkoming hiervan, roepen vragen op. De wetenschappelijke onafhankelijkheid en transparantie zijn in het geding. Zowel de Tweede Kamer als de Haagse gemeenteraad zijn onjuist geïnformeerd over de opzet en totstandkoming van het onderzoek.

De Universiteit van Leiden (UvL) publiceert in 2014 het rapport Etnisch profileren in Den Haag? Een verkennend onderzoek naar opvattingen en beslissingen op straat. Het betreft een wetenschappelijk onderzoek naar etnisch profileren in Den Haag waarin wordt geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden ervan.

Voorafgaand aan het onderzoek maakte de UvL echter afspraken met de politie Haaglanden om een afbreukrisico te voorkomen en het onderzoek aan te passen wanneer het zou wijzen op discriminatoir optreden van de Haagse politie. Dit blijkt uit stukken die recentelijk door Buro Jansen & Janssen zijn verkregen via een beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB).

 

Totstandkoming onderzoek

In de Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad werd in november 2013 verzocht om een wetenschappelijk onderzoek naar het plaatsvinden van etnisch profileren. Aanleiding was een rapport van Amnesty International waarin de Nederlandse overheid werd opgeroepen om het plaatsvinden van etnisch profileren te onderkennen en aan te pakken, en aanhoudende berichtgeving over politiediscriminatie in Den Haag.

 

Minister van Veiligheid en Justitie Opstelten en de burgemeester van Den Haag, Van Aartsen, zeggen vervolgens een wetenschappelijk onderzoek toe binnen het politiekorps Haaglanden, uitgevoerd door de UvL onder leiding van professor Joanne van der Leun van het Instituut voor Strafrecht & Criminologie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid. Van der Leun is ten tijde van het onderzoek tevens lid van de adviesraad van de politie Haaglanden.

Het Leidse onderzoek verschijnt juni 2014 en concludeert dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren in Den Haag. De regering en de politie verwijzen in 2014 en 2015, in antwoord op vragen en aantijgingen over politiediscriminatie, nog regelmatig naar het Leidse onderzoek.

Uit de op basis van een WOB-verzoek opebaar gemaakte onderliggende stukken van het onderzoek, ter beschikking gesteld door het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de politie Haaglanden, het Openbaar Ministerie en de UvL, blijkt dat de Leidse universiteit en de politie Haaglanden voorafgaand het onderzoek al eind 2011 onderling hebben afgesproken een mogelijk afbreukrisico voor de politie te voorkomen indien het onderzoek zou wijzen op discriminatoir optreden van Haagse agenten.

Notulen van de korpsdirectie van Haaglanden van 27 december 2011: ‘Afbreukrisico [van het onderzoek] kan zijn dat het de aandacht kan vestigen op (mogelijke) discriminatie door de politie. Dit risico is met prof. Van der Leun besproken. Zij begrijpt de onwenselijkheid hiervan en heeft aangegeven dat zij […] dit punt expliciet zal bespreken met de studenten en dat zij hierop zal letten bij de tussentijdse besprekingen van de (concept) scripties.’

Deze afspraak werd gemaakt nadat de UvL de politie Haaglanden had benaderd met een voorstel dat voorzag in een onderzoek door twee masterstudenten ten behoeve van masterscripties criminologie. De studenten verrichtten hun veldwerk in 2012 en rondden hun scripties in augustus 2013 af. De scripties waren in eerste instantie bedoeld voor intern gebruik voor de politie Haaglanden. Het Leidse rapport van 2014 berust op deze scripties.

 

Onjuiste voorlichting

De UvL, het Ministerie van Veiligheid en Justitie, het Haagse gemeentebestuur en de politie hebben nimmer openheid van zaken gegeven over de totstandkoming van het onderzoek Etnisch profileren in Den Haag? De Tweede Kamer en de Haagse gemeenteraad zijn onvolledig, en deels onjuist, geïnformeerd. Opstelten en Van Aartsen hebben het eind 2013 over een lopend onderzoek, maar verzwijgen de gemaakte afspraken en het feit dat het Leidse onderzoek berustte op twee in 2013 afgeronde masterscripties.

Wanneer Opstelten en Van Aartsen in november 2013 het onderzoek toezegden, zijn de voornaamste conclusies reeds bekend, aangezien de twee studenten hun scripties al in augustus 2013 hadden afgerond. Dit blijkt tevens in een interne nota verkregen via de WOB: ‘Dat etnisch profileren door de politie, ook in Den Haag, wel eens voorkomt is bekend. Op basis van de ervaringen tot nu toe wijst ook volgens de onderzoekers er tot dusverre echter niets op, dat het een structureel probleem is. Ook het onderzoek dat in Den Haag plaatsvindt, wijst daar niet op. De conclusie dat het wel een structureel probleem zou zijn, komt volledig voor de rekening van Amnesty.’ [Notitie Onderzoek naar etnisch profileren in eenheid Den Haag. 2013]

De UvL heeft nimmer openheid van zaken gegeven over de totstandkoming van Etnisch profileren in Den Haag? Van der Leun geeft zowel op 4 december 2013 als op 4 juni 2014 en 25 juni 2014 een toelichting op het onderzoek in de Haagse gemeenteraad, maar verzwijgt de gemaakte afspraken met het korps Haaglanden en het feit dat het Leidse rapport berust op onderzoek verricht ten behoeve van twee masterscripties. Ook in het rapport zelf wordt hierover geen openheid van zaken gegeven.

 

Vraagtekens

Het rapport van de UvL verschijnt in juni 2014 en concludeert dat er geen aanwijzingen zijn voor het structureel plaatsvinden van etnisch profileren. De gemaakte afspraken tussen de UvL en de politie Haaglanden en het feit dat het onderzoek berust op twee eerder afgeronde scripties, werpen tevens een ander licht op de inhoud en de conclusies van het rapport.

De inhoud van het onderzoek roept vraagtekens op. Het observatieonderzoek berust niet op een systematische beoordeling van de rechtvaardiging van politiecontroles. De beoordeling berust daarentegen op een inschatting van de onderzoekers, waarbij het veelal niet inzichtelijk is gemaakt waarop deze gebaseerd is. Er is door de masterstudenten nauwelijks gevraagd naar de overwegingen van politieagenten bij de keuze welke personen te controleren.

Het onderzoek naar de percepties van politieagenten over het plaatsvinden van etnisch profileren is evenmin duidelijk. De beantwoording van een stelling over het plaatsvinden van etnisch profileren door 33 Haagse politieagenten duidt erop dat de meesten van mening zijn dat etnisch profileren vaak plaatsvindt. In het rapport worden de uitkomsten op een andere, weinig inzichtelijke wijze geïnterpreteerd.

Het verzwijgen van de in 2011 gemaakte afspraken met de politie Haaglanden en dat het onderzoek berust op twee scripties, draagt niet bij aan de inzichtelijkheid van het rapport. Het is evident dat een transparant onderzoek naar het plaatsvinden van etnisch profileren bemoeilijkt wordt door vooraf af te spreken dat het onwenselijk is wanneer het onderzoek zal wijzen op discriminatie.

De UvL weigert om de twee scripties en het onderliggende onderzoeksmateriaal openbaar te maken. Het blijft onduidelijk in hoeverre de gemaakte afspraken tot aanpassingen van de scripties door Van der Leun hebben geleid, welke onderzoeksresultaten en bevindingen mogelijk niet, of in aangepaste vorm, in de scripties – en later in het Leidse rapport – zijn opgenomen. De UvL houdt hiermee het gebrek aan wetenschappelijke transparantie in stand.

Het artikel op de website van Buro Jansen & Janssen

En het artikel als pdf

Observant 68, 25 april 2016, Buro Jansen & Janssen